Hoofdtekst
Doa waren ze dan gaan stelen, en de vrouw was lopen gegaan in ene stal. Ze hebben haar a(ch)tervolg(d) en de gou(d)en ring(en) uit haar vingers gedaan. De notaris had hem (= zich) van uit de vinster laten afgaan aan ene pereboom. Wei de ben(de) op zijn kamer kwam, zeien ze: 'Hij moet in 't ron (= in de omtrek) zijn want zij(n) bed is nog wärem!' en ze hebben nog gezoch(t), mè hij was door de weien voert. Ze konden hem nie vinden in e donkele. 's Anderendaags kwamter hier e pjaad (= paard) halen wa dood was. - Hij haalde die vroeger allemaal, misschien voor zijn hon(den), dat weet ich nie - en toen zeiter nog dat ze in Klein-Gelemen gestolen hadden. Mè het was hijzelef gewees(t) met zijn mannen, verstaat zje!
Onderwerp
SINSAG 1320 - Andere Räubergeschichten.   
Beschrijving
Op een nacht pleegde de bende van Noë een inbraak bij de notaris in Klein-Gelmen. De vrouw van de notaris, die naar een stal was gevlucht, werd door de rovers achtervolgd omdat men haar gouden ringen wilde hebben. De notaris was uit zijn slaapkamerraam gekropen en was langs een perenboom naar de weide gevlucht. Omdat het donker was, hebben de rovers hem niet gevonden. De volgende dag kwam Noë ergens in de buurt een dood paard halen, misschien voor zijn honden. Hij vertelde de mensen dat men de afgelopen nacht had ingebroken bij Noë. En dat terwijl hij de inbraak zelf had gepleegd!
Bron
M. Dreezen, Leuven, 1967
Commentaar
4. Historische sagen
limburgs (tongeren en omstreken)
1131
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Noë   
Naam Locatie in Tekst
Heks   
Plaats van Handelen
Klein Gelmen   
