Hoofdtekst
Reuzen met paardepoten.Da was e meske die met heur vader op nen avet laat van St.-Niklaas kwam, die streek wa da ze moesten passeren was gekend veur ’t spuëken, tussen de Kattenei en d’Heimden passeerden hen twië hiëren, gruët bij gruët, me ne huëgen hoed en ne lange frank, ’t was slechte maneschijn, en as ze een bietje verder was zei ze: “Ma vader, da zijn giën mensen, da zijn peirdepuëten.”
Beschrijving
Een meisje kwam op een avond samen met haar vader terug van Sint-Niklaas. De plaats waar de twee voorbij moesten, was berucht voor spokerij. Tussen de Kattenei en d’Heimden kwamen vader en dochter twee grote heren tegen, die een hoge hoed en een lange jas droegen. Wat verderop sprak de vader tot zijn dochter: “Het zijn geen mensen. Ze hadden paardenpoten”.
Bron
V. Van Onsem, Leuven, 1967
Commentaar
1.2 Aardgeesten
oost-vlaams (waasland en dendermonde)
81
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Belsele   
Plaats van Handelen
Heimden   
Sint-Niklaas   
Kattenei   
