Hoofdtekst
Hier op den hoek aan e kerekhof lagen altijd drie, vier böum (= bomen) en doa zat alted een compa(g)nie volek meteen 's avonds. Enen avond kwam doa ene hond met een lang ketel voor de mannen door, aan hun vüt (= voeten) zo met die ketel. 'Dat is iet contrarie, zei doa ene, moregen kom ich met ene riek.' 's Anderendaags zaten ze doa weer allemaal en de hond komt af met de ketel op 'zijne' voet - van die wa dat gezeid had 's daags te voor - en he kon nie met zijne riek houwen, he moes(t) stil blijven; en wei (= toen) de hond door was, keekter om - noa die felle dan - mè ze hadden allemaal bang gehad, dat door ich oech (= durf ik U) beloven.
Onderwerp
SINSAG 0311 - Weisse Frau ist eine zurückgekehrte Tote.
  
Beschrijving
Enkele mannen die 's avonds zaten te praten op de omgehakte bomen die op de hoek bij het kerkhof lagen, zagen plots een hond met een lange ketting voorbijkomen. Eén van de mannen sprak: "Dat is iets vreemds. Morgen breng ik een mestvork mee." Toen de hond de volgende dag weer verscheen, kon de man echter niets doen met zijn mestvork; hij kon niet bewegen.
Bron
M. Dreezen, Leuven, 1967
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
limburgs (tongeren en omstreken)
342
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Lauw   
