Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

FRAMO0108_0108_26375

Een sage (mondeling), 1975

Hoofdtekst

- En hij heeft toen ook een kapelletje gezet en dat is veranderd. Dat is waar. Er woonden daar Leons, ‘k weet dat nog van voor de oorlog, en achter de Leons, ’t zijn de Nuyttens die daar woonden en toen Vanrenterghems. Zo wat weten die mensen daarvan.- Maar hier dat kapelletje, wat was daar juist, zei je?- E wê, dat is een kapelletje dat de propetaris ook gezet heeft. Maar dat stond aan "De Geit". Een grote kapel, maar je moeder moet dat nog weten wê. Voor ’t jaar ’14 stond er een grote kapel aan "De Geit". En hij kwam een keer kijken en dat was een grote, ’t was lijk een huis. En dat was niet onderhouden né.Vanrenterghems onderhielden die niet. De honden scheten daarin, zeien ze. "Wat", zei hij, "ik weet waarvoor dat die kapel moet dienen…, die kapel moet daar af." En vader en Tuurten Pappot, ‘k weet niet of je hem nog gekend hebt misschien, hebben moeten die kapel afdoen en ze hebben ze moeten aan Nelly’s haar gevel zetten. Een kleintje. ‘k Zeg: "Dat kan hier niet gaan," tegen de propetaris. "Maar", zegt hij, "een kleintje." Nu staat er een kleintje né. Ge hebt het wel gezien zeker né, ’t kapelletje.- Maar wat was dat van die beker dat je zei?- E wê, onze propetaris pakte die beker af, van die twee… toveressen. Dat ze zeien né. Maar hij heeft dat nog zelf verteld, maar hij is al lang dood. En ze kwamen een keer naar Beselare kermis, naar meneer Pols ofwel naar Bayarts, ‘k weet niet waar. En bij nacht, zij waren vaneigen schoon gekleed met een wit onderlijfje en al aan né, hij en zijn zoon. En ze waren daar vastgepakt in Menen. Maar die knecht was nog een rappe né, hij deed z’n auto een sprongetje geven en ze waren weg. Dat waren gasten die peinsden né van, zie je ‘t, een beetje buit né, maar zij gingen wel buit hebben!- En ze hadden een beker afgepakt?- Ja. Van die toveressen.- Wareerden zij met een beker of iets?- Wê ja, ‘k weet niet wat dat dat was. ‘k Heb dat nooit gezien. Hij had dat afgepakt. Hij was dronken né, hij heeft zich zeker geweerd d’ertegen. Hij was vastgestekt. Zo hij had zich zeker geweerd né en die beker afgepakt. Ja, iets dat donker is. En hij was burgemeester van Beselare en hij kwam af né. Vaneigen… hij woonde hier, waar dat Vanrenterghems wonen. Ik ben al tachtig. ‘k Heb hem nog gekend, hij heeft ’t nog verteld ook.- Hij kwam af met die beker?- Ja. Hij kwam af met die beker. En die kapel… er moest daar een kapel staan en er moest daar een staan. Voor die toveressen, allez gauw, né, te verschuwen zeker. Ja, ‘k weet niet wat dat ’t was. En die kapel moest toen een keer af né. Hij kwam een keer kijken en er was daar geen deur aan, ’t was groot, ’t was lijk een huis wê. En … "Ik weet waarvoor dat die kapel moet dienen, voor de honden te schijten", zei hij, "die kapel moet daar af." En Tuurten Pappot en m’n vent hebben die kapel afgedaan en ze moest hier gezet zijn aan Nelly’s gevel. Ze gingen ze daar eerst zetten, in de hof. "Maar," zegt vader, "als we nog willen een kaars doen branden, ’t is nog zo ver. Kan dat niet nader staan." "E wê", zeien ze, "we gaan ze toen hier zetten."

Beschrijving

Een man ging mooi gekleed samen met zijn zoon naar de kermis in Beselare. Onderweg werden de twee in Menen vastgegrepen door toveressen. De mannen slaagden er echter in de bekers van de toveressen af te nemen. Later heeft men op die plaats een kapel gebouwd.

Bron

F. Ramon, Leuven, 1975

Commentaar

2.1 Heksen
west-vlaams (ieper)
1b
fabulaat

Naam Locatie in Tekst

Beselare    Beselare   

Plaats van Handelen

Beselare    Beselare