Hoofdtekst
’t Was doa ne keer ne vint die gienk weven in zien weefkoamer. Dit ’s nuchtends tielijk. In den tertenput lag er een kalf. Je liep weg en oet ne gienk kieken was er nieten ne meer te ziene.
Onderwerp
SINSAG 0333 - Spuktier erschreckt Wanderer (und begleitet ihn).   
Beschrijving
Een wever die 's ochtends naar zijn weefkamer ging, zag een dood kalf in een put liggen. Daarop liep de man weg. Toen de man terugkwam, was het kalf uit de put verdwenen.
Bron
R. Callens, Leuven, 1968
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
west-vlaams (tielt en izegem)
140
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Pittem   
