Hoofdtekst
En ‘k heb ton (dan) ook een keer gehoord van bij een boer - z’hoorden daar ’s avonds altijd zingen voor under (hun) deure. En dat werkte natuurlijk op die mensen under (hun) zenuwen en die boer zei: as ze nog een keer komen, ‘k gaan smijten met een kapmes. En ze kwamen weren, dat moeten lijk een soorte geesten geweest hebben, ja wat dat ’t juiste was, een mens weet dat niet he - weet je ’t gij? En je (hij) smeet hij met dat kapmes en ’s nuchtens ze zagen een arm liggen met een schone gouden ring aan de vinger. En ‘k weten niet juiste meer hoe dat dat ton (dan) verder gegaan heeft.
Onderwerp
SINSAG 0478 - Andere Erlebnisse; unbeschreibbare Spukerscheinungen.   
Beschrijving
Een boer hoorde 's avonds altijd iemand zingen voor de deur. Op een avond gooide de geërgerde boer een kapmes naar de geest. De volgende ochtend zag men een arm met een mooie gouden ring aan de vinger voor de deur liggen.
Bron
J. Aspeslagh, Leuven, 1958
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
west-vlaams (kamerlingsambacht)
136
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Oostende   
