Hoofdtekst
’t Was een keer een here en hij hadde krotte (armoede) en hij ging op een kruisstrate en hij verkochte zijn ziele niet, ’t was de ziel van zijn vrouwe dat’n verkochte voor tien jaar. Maar zij en wiste dat niet. En achter tien jaar, ja, ze mosten were gaan naar de plekke in ’t bus waar dat’n die ziele verkocht hadde en hij vroeg aan ’t vromens of dat ze meeging een toertje gaan maken met ’t peerd en de voeteure. En ze ging zij mee en ’t was een kristelijk vromens en z’hadde zij neur paternoster in neur beuze en den duivel en heeft daar nooit meer weregekommen en ze was zij verlost.
Beschrijving
Een arme man ging op een kruispunt zitten en verkocht de ziel van zijn vrouw voor tien jaar aan de duivel. Tien jaar later vroeg de man zijn nietsvermoedende vrouw of ze zin had om met paard en kar even ene ritje te maken in het bos. Omdat de vrouw gelovig was, droeg ze altijd een paternoster. Daardoor kon de duivel haar op dat kruispunt niet meenemen en was de vrouw voorgoed verlost.
Bron
A.-M. Devynck, Leuven, 1965
Commentaar
3.1 Duivels
west-vlaams (franse grens)
494
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Proven   
Plaats van Handelen
Proven   
