Hoofdtekst
Ik weet niet of ge ooit hebt gehoord van Trien B. Dat was er een die gene goeie naam had. Als er wat was in de stal of in huis, die had het altijd gedaan. En curieus was het eigenlijk; daar zo wat voorviel, daar was ze, en daar iemand ziek was, ook. Die krank was wou van gene mens opgepast zijn als van die. Bij ons was er ook een geval. Mijn moeder was krank, erg krank. Het kwam zo wijd dat ze bediend werd ook. En toen gongen ze veel naar het menke van Genk henen. Vaaier gong er naar toe, maar hij zei niet dat het zijn eigen vrouw was, omdat hij de waarheid wou weten, ziet ge? Het menke vroeg hem hoe het met de vrouw was. 'Ja, hoe zou het met de vrouw zijn', zegt vaaier, 'de mensen zeggen dat ze sterven gaat.''Die sterft niet', zei het menke, 'maar het zal wel lang duren.' Maar toen de ziekte wat naliet, kreeg ze een kwaad been: dat was daar wel op aangetrokken. Ja, en daar was niks aan te doen; van dat vrouwmens moest ze opgepast worden. 'Die is behekst', zegden de mensen. Als het avond en nacht was zag ze van alles: dan waren het er die haar uit het bed wilden halen, dan een schoon zwart ketje dat door de kamer op liep. En het schoonste van al, daar was niks, vaaier zag niks. Want hij had de mispele stok bij zich aan 't bed staan om als hij wat zag, ze op hare kop te houwen; Het kwam zo wijd dat hij er ook aan gong geloven, en daar kwam kal van onder de mensen.Op ne keer kwam er 'ne vreemde mens bij ons, wij hadden ook herberg. Die komt binnen: 'Dag Hulsbos.' ' Ik ken u niet', zegt vaaier. 'Ja, dat zal', zegt die vreemde, 'ik ben gestuurd van een broer van de vrouw, die woont in Bree, en daar ben ik gelogeerd.' Hij dronk dan ook een glas bier. 'Is uw vrouw krank?' zegt hij. 'Ja', zegt vader, 'ze heeft een kwaad been.' 'Mag ik dat been eens zien?' zegt hij; 'Neen', zegt vaaier. Ge ziet van hier dat hij dat aan 'ne vreemde gong laten kijken. Ja, op den langen duur 'ja', 'ja','neen'. Ze wisten iet wat mens dat dat was... Maar dat was er ene die had goed en kwaad geleerd. Die had voor geestelijke gestudeerd, maar niet geworden. 'Ja', zegt hij, 'als ik het dan toch niet mag zien'... en daarmee stond hij al in de deur en hij maakte zich een kruis. 'Dat ze dan maar sterft in Godsnaam.' En toen hij zo begos te kallen, liet vaaier hem dan toch maar binnen, ge weet hoe dat gaat. En beekwater moest hij hebben. Dat blijft daar op staan, op een kwaad been, dat loopt daar niet van af. 'Uw vrouw is behekst', zegt hij. Ja, nu die dat zei... 'Woont hier geen vrouwmens van zestig jaar?' Dat was op die Trien B. Maar daar woonden er verschillende van dien ouderdom. 'Jè, joa'. Ik ga uit', zei die vreemde, 'ik zal ze eens gaan halen.' En ze keken die mens na, waar dat hij henen gong. Ja, en naar B., daar gong hij henen. Een pooske later kwam hij terug. 'Ik heb ze nondedjis niet mee kunnen krijgen.' Ze was brood aan 't snijen toen hij daar kwam, en ze had hem met het mes hier in 't been gesneden. 'Dat doet niks', zei hij, 'morgen kom ik terug, dan komt ze van alleen.' Maar wij zaten in 't schijt, lijk ze zeggen. Die was bij B. geweest, en hij kwam van bij ons...Toen hij 's avonds terug naar Bree moest was hij bang. Vaaier moest met hem mee tot hij de Reppeler bergen door was. En den helen tijd keek hij door de heggen. 'Die komt mij na', zei hij. Ja, hij gong dan. En toen ze de Reppeler bergen voorbij waren, zei vaaier: 'Ge moet morgen maar niet komen, ik zal u wel iets laten weten.' En hij is ook niet meer gekomen. Maar 's nachts om een uur of twee stond ze daar toch wel aan het vensterke, waar hij gelogeerd was.'s Anderendaags na de middag komt Trien bij ons aan, en hare man was er bij. Ze gong op de knieën liggen 'Zègensj och beitsj och' zei ze, 'want noe is de heks hie.' En wat ze daar allemaal uitgekraamd heeft, weet ik niet. Het kwam zo wijd dat de gendarmen daarvoor kwamen, en ze hebben moeten lopen om het proces stil te krijgen. En weet ge wat vaaier toen deed? 's Anderendaags was het Zondag, en toen gong hij naar de pastoor henen. En ik zeg u erbij, voor dat hij gong had hij wat borrels gedronken, om wat te durven zeggen, want dat deed niemand graag tegen de pastoor. 'Hoe is 't met uw vrouw?' zegt de pastoor. 'Ja, hoe zou het met de vrouw zijn, slecht. Die is behekst.' 'Behekst, behekst, behekst; dat bestaat niet, dat moogt ge niet zeggen.' 'Wilt ge mij helpen, ja of neen?' zegt vaaier, 'als gij niet wilt komen, dan ga ik naar 'nen andere.' 'Naar wie zoudt ge gaan?' zegt de pastoor, 'naar 'ne geestelijke of naar 'ne wereldlijke?' 'Naar 'ne wereldlijke', zegt vaaier. 'Naar wie?' 'Dat weet ik niet', zegt vaaier, 'en dat wil ik ook niet zeggen.' 'Als die komt', zegt de pastoor, 'jaagt hij u van het huis de stal op. Ik kom morgen voormiddag, na de tweede mis, maar ge moogt het tegen niemand zeggen.' En de pastoor kwam... Toen hij binnen was, sloot hij de buitendeuren toe. Maar pront stond daar 'ne mens aan de deur, die kwam een glas bier drinken. Dat was 'nen houtzager van Scherpenheuvel. Ja, wat hij hebben moest. Een glas bier, want hij had dorst. Maar die moest ook weer voort uit.Toen moest de pastoor wijwater hebben met een pejmke. Hij deed de deur heel toe, en wat hij gelezen heeft?... bij mooier was hij niet geweest. En toen die bij ons geweest was, was het gedaan. Het ketje was weg en Trien B. kwam ook niet meer. En op de langen duur genas mooier.