Hoofdtekst
An Rommedons stonden oarmtierige huzekens, mijn wijf weunde er in oes ze kleene was. Ip nen oavend hoeorden ze een erbarmelijk gekloag; oet ze buten keken, zoagen ze een poar groeote oeogen lijk kolen vier. Ze dosten nie buten goan. Oe ze snuchtends buten kwoamen lag t’er nen groeoten plas bloed; ’t was pertank (nochtans) niemand vermoeord gewist.
Beschrijving
Mensen die in een armtierige wijk in Wakken woonden, hoorden op een avond buiten een luid geklaag. Omdat er twee ogen als vuurbollen te zien waren, durfde niemand naar buiten te gaan. 's Ochtends lag er een grote plas bloed op de grond. Nochtans was er niemand vermoord.
Bron
R. Callens, Leuven, 1968
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
west-vlaams (tielt en izegem)
149
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Wakken   
Plaats van Handelen
Wakken   
