Hoofdtekst
- Achiel van St.-Joris was ne pendelare en ‘k ware ne keer nie goed en je kwam bij mij en ‘k moeste lezen en ‘k beterde allijk. Maar ‘k hè ton wreed afgezien ’s nachts en ‘k zei ’t hem later da ‘k zovele d’r van afgezien had en je zei dat ie ook zovele afgezien had. En j’hèt d’r nie meer van gezeid.- En ’t kwamen d’r ne keer van de familie nie naar huus en je lei de kaarte open en met z’n pendel ging t’ie over die kaarte en amenekeer dien pendel begoste te draaien en je zei: "Ze zijn daar en binnen een kart gaan ze daar zijn." En meziere, ze waren daar were een kart nadien.
Beschrijving
Een zieke man liet een pendelaar komen. De nacht na het bezoek van de pendelaar, had de man veel pijn, maar daarna genas hij wel. De pendelaar beweerde dat hij diezelfde nacht ook veel had geleden.
Enkele mensen die ongerust waren omdat hun familieleden nog niet waren thuisgekomen, lieten een pendelaar komen. De pendelaar bewoog met de pendel over de kaarten die hij had open gelegd. Toen de pendel begon te draaien, sprak hij: "Ze zijn daar en over een kwartier zullen ze hier zijn". Een kwartier later waren de mensen inderdaad thuis.
Enkele mensen die ongerust waren omdat hun familieleden nog niet waren thuisgekomen, lieten een pendelaar komen. De pendelaar bewoog met de pendel over de kaarten die hij had open gelegd. Toen de pendel begon te draaien, sprak hij: "Ze zijn daar en over een kwartier zullen ze hier zijn". Een kwartier later waren de mensen inderdaad thuis.
Bron
P. Vandewalle, Leuven, 1968
Commentaar
2.2 Tovenaars
west-vlaams (o van houtland)
441
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Achiel van St.-Joris   
Naam Locatie in Tekst
Ruddervoorde   
