Hoofdtekst
En zo was daar ook eens op een plaats. En dat kon toch niet bestaan en die kon geen boter krijgen. En dat was vrouw Mies, heetten ze die. Ik weet niet, ze kan nog leven. Dat was vrouw Mies. En mijn zuster woonde in de Craenevenne (= plaats tegen het domein van Bokrijk) en zij woonde daar ook. Maar dan kwam ze altijd botermelk halen als mijn zuster ze dan gestoten had. En toen zegde ze zo: 'Kan ik nog geen botermelk komen halen, Trien?' 'Ho, ik gooi u de pot bediene achterna', zei ze, 'ik heb al twee dagen gestoten en ik heb nog geen boter.' 'Maar wat is dat toch wel?' zei ze. En toen ging dan de man naar een bruine pater, naar het heilig paterke daar, en die kwam en die hing een Lieveheer in de stallen en die zegende de koeien. En ze had boter. En de kwade tong, die moest uit de stal zijn.
Beschrijving
Mies die op de Craenevenne woonde, ging altijd botermelk halen bij Trien. Op zekere dag slaagde Trien er echter niet in om boter te karnen. Daarom ging de man van Trien naar een bruine pater, die de koeien kwam zegenen en een Lieveheer in de stallen hing. Daarna kon Trien weer moeiteloos boter maken.
Bron
W. Achten, Leuven, 1971
Commentaar
2.1 Heksen
midden-limburgs
g
Zus van de informant
fabulaat
Craenevenne was de naam van een plaats vlakbij het domein van Bokrijk
Naam Overig in Tekst
Mies   
Trien   
Naam Locatie in Tekst
Genk   
Plaats van Handelen
Craenevenne (Bokrijk)   
