Hoofdtekst
Weet ge wat dat is: geleid zijn? Dat is marcheren, ge weet noch van uur noch van tijd; ge weet niet waar ge loopt; ge weet zelfs niet dat ge aan ’t gaan zijt.Onze Staf is zo eens geleid geweest. ’t Was op een Zondagavond, en vader terzaliger had hem nog gezegd: “Jongen, niet te lang weg zitten”. Hij weg! ’s Avonds kwam hij niet naar huis, maar dat was niet opgevallen. ’s Anderendaags was Staf nievers te zien. We peinsden: er is iets gebeurd. En wij, de broers en een paar gebuurs gingen op zoek. We kwamen in de Savooistraat, in de environ van ’t Haantje. Daar lag onze Staf in de gracht. Heel zijn veste was nat van ’t snot en van de tranen. We vroegen hem wat er gebeurd was. Maar hij wist het niet goed; hij wist alleen dat hij vreselijk afgezien had. Hij was verdoold geraakt, en geen moyen om de weg weer te vinden. Dan was hij in de gracht gesukkeld, en toen heeft iemand (maar die was niet te zien met de gewone ogen) hem gebonden met een bezemsteel. Staf werd in een bol geduwd, met het hoofd diep tussen de knieën, en dan stak die onzichtbare een stok in de plooi van een knie, dan verder achter de nek, en dan achter de andere knie. Een hele tijd moet hij daar gelegen hebben. Hij heeft geschreemd en geroepen. Maar niemand kon hem horen. En dan ging alles gelijk weg van hem. Met de klaren schoot hij wakker. De stok was uitgetrokken, maar zijn nek en ruggegraat was gelijk gebroken. Staf wist zelfs niet waar hij was. Een geluk voor hem dat we hem gevonden hadden.
Onderwerp
SINSAG 0291 - Mensch von Mahr beritten   
Beschrijving
Een jongen die op een zondagavond op stap was geweest, was niet thuisgekomen. De volgende dag gingen enkele buren naar de jongen op zoek. Ze troffen hem aan in een gracht, met een jas die nat was van de tranen. De jongen wist niet goed wat er was gebeurd, maar herinnerde zich wel dat hij verdwaald was geraakt en in de gracht was beland. Daarna was er een verschijning opgedoken, die de jongen had gekweld, door zijn hoofd tussen zijn knieën te duwen en dan een bezemsteel in de plooien van zijn knieën en achter zijn nek te steken. De jongen schreeuwde, maar niemand kon hem horen. ’s Ochtends was de stok verdwenen, maar de jongen had het gevoel alsof zijn rug en nek gebroken waren.
Bron
M.-P. Kesteleyn, Leuven, 1964
Commentaar
1.5 Plaaggeesten
oost-vlaams (vlaamse ardennen)
95
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Ronse   
