Hoofdtekst
Nolleke van Geleen, dat was de Chef van de bokkerijers. Die heeft rond Spreeuwers in 't Hasselt een klein caféke gehad. Maar 't was 'ne grote vlegel, hoor. Die had na een tijdje de jongens zo schoon op zwik om daar dansen te leren. Daar waren op een plaats jongens, die hadden daar ook veel over horen kallen. 'Vaaier', zegden ze, 'laat ons daar och ook leren dansen .' 'Niks', zei vaaier, 'dat is allemaal niks.' Maar hij werd op 't leste het gezaag moe, en hij liet ze gaan leren dansen. Maar opeens zei hij: 'Allemaal hier blijven.' Toen mochten ze niet meer gaan: die heeft wel wat geweten... Als die eens daar waren geweest, en wat gedronken en zo, dan moesten die mee gaan stelen. Den drosserd die moest daarop gaan. Dat was zo wat den erkende polies van dien tijd, en die had veel macht. Mijn grootvader die heeft die nog gezien, het was een klein manneke. Dien drossaard had Nolleke ook gevangen: hij kwam er mee in Opitter door en hij had hem op de kar zitten. Maar in Opitter moest hij er nog gaan vangen, en hij bond Nolleke aan de brouwerij vast , bij Vissers. Hij stak de ketting door het gootgat, en daar van binnen zijn kluppel door. Toen gong hij er nog een paar snappen. De Mis was juist uit en toen op Peer aan. De moeder van Nolke was toen juist bij Vissers, en toen komt daar een klein wichtje binnengelopen: 'Moeder, ze hebben Nolleke van Geleen ouch gevang.' 'Joa', zei ze, 'ze hebben Nolleke van Geleen ouch gevangen.' Die werden allemaal opgehangen. Die was geweldig streng, dien drosserd, want mijn vader zei: daar waren er die niet meer as vijf frank hadden gekregen voor hun deel - als ze gestolen hadden, verdeelden ze dat ondereen - en daarvoor werden ze evengoed opgehangen. Maar dien drossaard... In Dilsen trok de schutterij uit met de kermis, en hij had horen zeggen daar zaten ook gasten bij. Hij kwam in Dilsen aan, juist toen de schutterij uittrok. Daar was er ene bij die 'ne piek droeg, hoe ze die heetten weet ik niet meer, en toen den drosserd daar door kwam, viel hem de piek uit zijn handen. Den drosserd gong er henen en hij pakte hem vast: 'Kom gij maar mee', zei hij, 'want uwe nek is nog zwart. Gij zijt er deze nacht ook bij geweest.' Dien drosserd woonde dan hier dan daar, want anders zouwen ze die ook wel eens kapot maken. Die had de vieste trekken veil. Als hij naar de dorpen gong, dan moest iedereen hem helpen. Zo zaten er eens bokkerijers in 'ne jonge bos. Den drosserd gong er rondom. Toen had hij twee man bij zich. En hij zei tegen den eerste: 'Hier gaat gij staan en al wat er uit komt, kapot schieten.' Toen gong hij twintig meter verder, en hij zei tegen den andere: 'Hier staan en al wat er uit komt, kapot schieten.' En toen gong hij zelf de bos binnen en hij vong ze allemaal tegelijk. Maar hij had dat gezegd dat die mannen het goed kosten horen. Maar Nolleke was ook slim. Vroeger hadden de boeren allemaal ossen; paarden zaagt ge wel hier en daar, maar niet veel. En ge kost zeker zijn: als er ene zijnen os verkocht had, dan staken ze hem een briefke onder de deur door, dat hij zoveel moest betalen, of anders... Bij ons was ook 'ne mens zo aangeslagen. Op de Breëer weg moest hij het geld neerleggen. Maar ze gongen de wacht houwen om te kijken wie het haalde. En op 'ne keer kwam daar 'ne mens met een kroekar af. Ze dachten: 'Die zal het toch wel niet weghalen.' En daarna was er niemand meer gekomen. Maar toen lag op die kroekar een mand zonder booiem, en die kroekar, daar was ook gene booiem in en die mens die in de mand zat had voort dat geld weg. Zo geslepen waren die bokkerijers.
Onderwerp
SINSAG 1320 - Andere Räubergeschichten.   
SINSAG 1303 - Räuber verrät sich selbst: verspricht sich, Schwarzmacher hat noch Schwarze auf seinem Gesicht.   
Beschrijving
Nolleke van G., de leider van de bokkenrijders, had in de buurt van het huis van S. in Hasselt een kleine herberg. In zijn herberg organiseerde Nolleke danslessen, waar tientallen jongens op af kwamen. Wanneer de jongens éénmaal in de herberg waren geweest, werden ze verplicht om samen met de bokkenrijders te gaan stelen. Op een dag had de drossaard Nolleke van G. opgepakt. Nolleke werd op een kar naar Opitter gebracht. Omdat de drossaard in Opitter nog enkele bokkenrijders moest oppakken, bond hij Nolleke vast aan de brouwerij van Vissers. De moeder van Nolleke was op dat ogenblik toevallig bij de brouwer, waar haar dochtertje kwam binnengelopen met de woorden: "Moeder, ze hebben Nolleke van G. ook gevangen!" In Dilsen arresteerde de drossaard één van de schutters die ter gelegenheid van de kermis een optocht hielden. De drossaard sprak tot de man: "Kom jij ook maar mee, want jouw nek is nog zwart en jij bent er vannacht ook bij geweest!" Toen de drossaard wist dat enkele bokkenrijders zich in het bos verscholen, nam hij twee mannen met zich mee, aan wie hij de opdracht gaf om iedereen die uit het bos zou komen, neer te schieten.
Een boer die pas een os had verkocht, vond een briefje van de bokkenrijders onder zijn deur; de man moest een bepaalde som geld op de Breeër weg neerleggen als hij zichzelf niet in gevaar wilde brengen. Toen het geld op de weg lag, kwam er een kruiwagen zonder bodem voorbij, met daarop een mand. Zodra de kruiwagen voorbij was, lag het geld er niet meer.
Een boer die pas een os had verkocht, vond een briefje van de bokkenrijders onder zijn deur; de man moest een bepaalde som geld op de Breeër weg neerleggen als hij zichzelf niet in gevaar wilde brengen. Toen het geld op de weg lag, kwam er een kruiwagen zonder bodem voorbij, met daarop een mand. Zodra de kruiwagen voorbij was, lag het geld er niet meer.
Bron
R. Celis, Leuven, 1954
Commentaar
4. Historische sagen
limburgs (bree en omstreken)
Grootvader van de informant
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Nolleke van G.   
Naam Locatie in Tekst
Meeuwen   
Plaats van Handelen
Opitter   
Breeër weg   
Hasselt   
