Hoofdtekst
Dat höb ich me vader altied hure zègge. Die gongen oet uchtere en dao zaat ’n kat. En die hauwen ’n smik (zweep) biej hun en ze sloege nao die kat. Maa die hauwe de groetsten angs oetgestange. Die kat hauw hun gevolg den hiêlen aovend.
Beschrijving
Een man sloeg met een zweep naar een kat. Daarna stond de man doodsangsten uit omdat de kat hem de hele avond bleef volgen.
Bron
J. Venken, Leuven, 1968
Commentaar
2.1 Heksen
limburgs (maasvallei)
105
Vader van de informant
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Heppeneert   
