Hoofdtekst
Heksen houden feestmaal.Mijn vader, as ie ’s navends gedaan ha mee werken, dat ie gedaan ha mee arbeiden, zat ie hem achter zijn huis ne keer een beetje te rusten mee zijn broers.En z’hên dat dikkels g’hoord, ten twaalven van den nacht, hoordegen z’in de lucht, in de wolken, een schoon gezang; ’t was gelijk ’t gezang der engelen. En da was daar een geschater en een gelach en een geklap. En mee ten anderen, ze zagen ze. Z’hên dat dikkels gezien, hij en zijn broers: in de lucht, in de wolken een tafel staan, mee méér as twentig toveressen rond zitten en ze zaten zouder daar a’maal rijstpap t’eten, op die tafel, mee zilverie lepelkies. En as ze gedaan hân:“Ha, we zijn der vandaan, we gaan naar een ander streekte”, riepen ze. Maar van tijd tot tijd liet er een haar lepelke vallen, z’hân der in geschoten en twee, drije, lieten ter ouder lepelkies vallen, zilverie lepelkies.En mijn vader en zijn broers raaptegen z’op. Da es dikkels gebeurd se.Da was echte toverije en da waren toveressen dien in de lucht vlogen van den enen kant van de wereld naar den anderen, ’t was gelijk ne wend die passeerdege. Da was ook in den ouwen tijd, maar da es honderd jaar ‘leên, zille.
Beschrijving
Een man hoorde 's avonds vaak geluiden in de lucht alsof de engelen op de wolken zaten te zingen, te lachen en te praten. In de lucht zag hij vaak een tafel staan, waaraan meer dan twintig toveressen met zilveren lepeltjes rijstpap zaten te eten. Soms gebeurde het dat de toveressen een lepeltje lieten vallen en dat de man dat opraapte.
Bron
R. De Geeter, Gent, 1952
Commentaar
2.1 Heksen
oost-vlaams (zuiden)
127
Honderd jaar geleden, aldus de informant
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Opbrakel   
