Hoofdtekst
’t Was daar een zekeren Catrysse van Poperinge die slunsen (vodden) en been opkochte. Ze peizen dat dien vent etwod kuste. Peter zei dikkers dat’n betoverd geweest hadde, hij zei ’t moet dien Catrysse zijn die speelt met mij. Me droenken een keer een pinte toe (te) Cappel met de kerremesse en dien Catrysse was daar en peter zei: “Me gaan moeten vorsgaan”!
Beschrijving
In Poperinge woonde een voddenraper over wie men vertelde dat het een tovenaar was. De meeste mensen waren bang voor die man.
Bron
A.-M. Devynck, Leuven, 1965
Commentaar
2.2 Tovenaars
west-vlaams (franse grens)
344
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Beveren   
Plaats van Handelen
Poperinge   
