Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

HSCHO0462_0464_10968

Een sage (mondeling), 1995-09-6 1995-09-6 (foutieve datum)

Hoofdtekst

I Dan hebt ge ook nooit horen vertellen over een ‘sjóófet’?33 [schudt van nee]I Dat was, zeiden ze, lichtjes die je zag buiten.33 Oh, dwaallichtjes.I Ja.33 Jawel, dat heb ik wel… Hoe zei gij daartegen?I Ja, ze hebben twee verschillende namen ervoor. Sommigen noemen het dwaallichtjes en anderen noemen het ‘sjóófet’. Maar het is toch nog wat anders.33 Ja. Dwaallichtjes, dat zeiden ze, dat zijn de zielkes die niet in de hemel kunnen, die in het vagevuur zitten.I Och.33 Dat zeiden ze wel. En dat waren de glimwormen natuurlijk. Maar dan zeiden ze: "Nee, nee. Dat zijn de zielkes. Bid maar en wees-gegroet." Dat heb ik wel m’n grootmoeder horen vertellen. "Als ge die lichskes ziet, moet ge bidden, want dat zijn kinderkes die niet in de hemel kunnen komen, die doodgebleven (zijn)." Hé, doodgeboren zijn of niet hebben kunnen gedoopt worden.I Ah ja, die niet gedoopt waren.33 Juist ja. En toen moesten we een wees-gegroetje bidden als we die lichskes zagen. Het waren glimwormen, hé. Maar dat wisten wij niet, hé.I Nu zie je ze weer veel, hé, langs de kanten.33 Ja, ’s avonds komen ze uit waar het donker is. Je ziet ze veel.I Ja, dat had ik nog van niemand gehoord.33 Nee?I Nee.33 Och niet?I Nee, dat heb ik heb ik van niemand gehoord.33 Jawel, dat zei mijn grootmoeder, hé. Dat was in Vroenhoven, hé. Ik zeg [op kindertoon]: "Ik heb alweer van die dinge, van die lichtjes, die zieltjes gezien." "Ja, hebt ge gebeden?" Ik zeg: "Jaja." [lacht]I En wat badt ge dan? Een wees-gegroet of zo?33 Ja, een wees-gegroetje of iets dinge, hardop dan. Dat was een braaf mensje, hoor. Och, dat was een braaf mensje. Dat herinner ik me nog heel goed. … (= onverstaanbaar-C)I Van een ‘sjóófet’ hebt ge dus nog nooit gehoord?33 Nee, van een ‘sjóófet’ heb ik nog nooit gehoord?I Dat gaf dan ook licht, maar meer een vuurbol. En dan zeiden ze dat dat ook ‘läöi’ waren die gestorven waren - maar oudere ‘läöi’, geen kinderen - en die kwamen dan terug, want die konden niet in de hemel geraken. En dus moesten die ronddwalen. En dan moest je - een vrouw van Val vertelde me gisteren - als je zo’n vuurbol zag, dan moest je iets in de grond steken - maar ze wist niet meer wat - en dan kon jij weg en dan moest die vuurbol daar blijven bij wat daar in de grond stak.33 Dat heb ik nooit gehoord.I Nooit gehoord.33 Maar die dwaallichtjes, dat weet ik. Dat dat zielkes waren die niet konden in de hemel komen, omdat ze niet gedoopt waren. Zei mijn grootmoeder dan, hé. Ik weet het niet [lacht].I Ja, maar het is heel interessant.33 Ik weet het niet, het kan zijn, hé [lacht].I Wie weet al.33 Dat moesten ze nu eens zeggen [lachend].I Ik denk niet dat ze het zouden geloven.33 Nee, hé. Nee, hé.

Onderwerp

SINSAG 0182 - Wiedergänger als Irrlicht    SINSAG 0182 - Wiedergänger als Irrlicht   

Beschrijving

Dwaallichtjes die men 's avonds op donkere plaatsen zag, waren zieltjes uit het vagevuur die niet in de hemel geraakten omdat ze doodgeboren waren of om een andere reden ongedoopt waren gestorven. De mensen geloofden dat ze bij het zien van zo'n lichtje een weesgegroet moesten bidden.
In werkelijkheid waren de lichtjes glimwormpjes.

Bron

H. Schoefs, Leuven, 1996

Commentaar

1.3 Vuurgeesten
limburgs (groot-riemst)
33F 462
Grootmoeder van de informant
fabulaat

Naam Locatie in Tekst

Zichen-Zussen-Bolder    Zichen-Zussen-Bolder