Hoofdtekst
Ik heb dikwijls mijn moeder nog horen vertellen van als mijn vader nog thuis was bij zijn ouders. Hij werkte in de brouwerij en hij had graag een pintje. En zijn vader maakte zich kwaad en hij zei: “We gaan hem niet meer binnenlaten. Ge gaat hem buiten laten liggen.” Maar hij had de truuk van mijn vader, hij legde zich aan de deur en hij lag te kermen en te zuchten en zijn moeder zei tegen haar man: “Sta toch op, er is daar iets gebeurd, laat onze Leo toch binnen.” Maar toen bestonden er geen eigenaardiger mensen als nu. En er zegt daar een vrouw: “Wacht, ik zal het eens arrangeren dat hij zo laat niet meer naar huis komt.” En die Wolvenberg, die ulijke berg, had nu een rare naam. “Wel”, zei die vrouw, “ik zal mij daar eens aan de Wolvenberg stellen.” Maar ’t was een ardi wijf, en het was om drie uur ’s nachts. “Ik zal mij een slaaplaken ophangen tegen dat hij naar huis komt en ik zal hem eens zijn tenen doen uitkuisen”, zei ze. En ze stond daar op die berg met dat laken op zich. Hij kwam af en hij zong al van vrees. En ge hebt nooit een mens zo zien lopen. Hij is nooit zo laat meer naar huis gekomen.
Beschrijving
Een jongen die in een brouwerij werkte en graag bier dronk, kwam tot grote ergernis van zijn ouders vaak laat naar huis. Op zekere dag besloot de moeder haar zoon eens een lesje te leren. Ze hing een laken over zich heen en ging om drie uur ’s nachts op de weg staan waarlangs haar zoon naar huis moest komen. Toen de jongen de spookverschijning zag, liep hij angstig weg. Hij is nooit meer zo laat naar huis gekomen.
Bron
L. D'haeze, Leuven, 1975
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
oost-vlaams (zuiden)
125C
Moeder van de informant
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Volkegem   
