Hoofdtekst
’t Was daar een meissen da hier werktege en ze gink ’s navends altijd langs een bosselke naar huis.En op ne keer wierd ze zij aangerand van ne weerwolf – ha ja, die weerwolven en deên nie anders as knoeien en moossen azo – maar ze pakteg’ haren blauwen voorschoot en ze wierp hem datte, veur dat draadje veur draadje los te maken. En ze geraaktege toch thuis.En as ze ’s anderdaags ’s morgens hier weer toekwam, zag ze da onze knecht mee nog nen blauwen draad tussen zijn tanden liept. En azo was ’t ie gekend hein.
Onderwerp
SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.   
Beschrijving
Een meid die op een avond naar huis ging, werd in een bos aangevallen door een weerwolf. De meid gooide haar blauwe schort naar het beest en raakte veilig thuis. Toen de meid de volgende dag weer op de boerderij kwam waar ze werkte, stelde ze vast dat één van de knechten blauwe draden tussen zijn tanden had.
Bron
R. De Geeter, Gent, 1952
Commentaar
1.6 Weerwolven
oost-vlaams (zuiden)
39
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Everbeek   
