Hoofdtekst
’t Was daar een schoon huis en m’n tante werkte daar. En ’t kind was ziek. En ze gingen naar de paters en ze zeien da ze moesten ipletten wat dat d’r in huis was. En da kind ging dood en achter n’een dag of drie ’t komt daar een katte in huis. En tante pakte ne pardessus en ze smijt dadde ip die katte en ze versmacht (verstikt) ze. En een endeke later de dochter van de gebeurs komt zeggen dat haar mama gestorven was. En da was zij die daar toverde.Die toveressen hèn boeken en ze kunnen die katten doen gaan waar da ze willen. En die boeken da’s lijk ne spiegel en in dien spiegel zien ze waar dat die katte is. Zonder die boeken kunnen ze niet.
Beschrijving
In een huis waar een kind ziek was, ging men bij de paters te rade. De geestelijken zieden dat men moest letten op wat er in huis kwam. Drie dagen nadat het kindje was gestorven, zag men een kat binnenkomen. De vrouw gooide een overjas over het dier en verstikte het. Een tijdje later kwam de dochter van de buurvrouw vertellen dat haar moeder was gestorven. De buurvrouw was de toveres. Toveressen hadden boeken waarin ze konden zien waarin de katten vertoefden.
Bron
P. Vandewalle, Leuven, 1968
Commentaar
2.1 Heksen
west-vlaams (o van houtland)
354
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Schuiferskapelle   
