Hoofdtekst
9 Ik meen dat dat nu nog bestaat, dat de mensen je iets kunnen wensen, dat ze je iets slechts kunnen wensen. Nu, bijvoorbeeld als ze de haat op je hebben ze kunnen denken: "Nondedju, ik zou willen dat die tegenslag had." Maar dan heb je het, hoor! En dan moet je je potverdomme goed in acht nemen voor dat te bestrijden. Want wij hebben dat dikwijls aan de hand en dan moet ik op de drie hoeken van de ‘winning’, die hoek, die hoek en ene [wijst naar verschillende hoeken]. En één hoek moet je openlaten en daar moet je het St.-Jansevangelie bidden.I Op die hoek?9 Op die hoeken met het gedacht de kwade geesten uit (te drijven via de opengelaten hoek). Dat helpt. Ik heb het zelfs eens gedaan … Wij hadden een stuk gerst - dat hebben we nu nog - achter Zichen en dat lag kort aan de huizen en dat zat vol mussen. Verschrikkelijk. En daar was een oude scheper in Zichen die zei: "Och Mon, dat is toch niks, dat moet je eruit jagen." Ik zeg: "Ah ja, krijg die er maar uit." "Oh," zegt hij, "dat zal ik je wel leren." "Kijk nu," zei hij, "die hoek en die hoek en die hoek," zei hij, "je jaagt ze maar dat stuk in." Ik zeg: "En dat gaat?" "Ja," zei hij, "ik zal dat één keer doen en jij doet het ook, hé." Hij deed het. ’s Anderendaags deed ik het ook. En hij bleef daar staan zien. En die mussen kwamen van die hoger (gelegen stukken) over die heen naar dat stuk in. J, lach maar als je wilt.I Die hoek wat open gebleven was?9 Ja. Je mag lachen, hoor.I Nee, maar ik heb dat nog gehoord van mensen die dat vertelden.9 Dat was waar. We hadden daar een ander stuk en daar voeren wij veel champignonmest op. En toen hadden we daar ‘sukkerkroten’ (= suikerbieten) en daar waren veel poerratten, molmuizen. En toen was die scheper ook weer gekomen. "Ach ja," zei die, "ik zal ze je er wel uitjagen, jong." En hij joeg ze eruit, het was weg. Ik heb hier achter die hof en het krioelde er van molhopen. Och, zjurres, zjurres, er lagen er misschien duizend in de hof, de ene hoop naast de andere. Eruit gejaagd. Ik zie er geen meer.I En hoe deedt ge dat dan?9 Ja, het St.-Jansevangelie. Er zijn niet veel mensen die dat nog kunnen, dat is zo’n zeikgebedje.I Staat dat in de bijbel?9 Ja, dat weet ik niet. Dat begint zo: "In den beginne was het woord en het woord was Gd en het woord was bij God. Dit was in den beginne bij God. Al …" En zo begon dat. Dat is zo’n gebedje. Dat wordt niet veel gebeden. Maar volgens een gezegde is dat een ‘straf’ gebed.I Dat heb ik nog al gehoord.9 Je grootma, die zal dat wel kunnen.(we praten over bidgewoonten)I En die scheper, hoe wist die dat allemaal?9 Ja, een scheper, dat is een man, daar moet ge raad aan vragen; die weten alles. Die leven meer met de natuur mee als wij. Die zijn altijd aan het ‘kalle’ (= praten) met ‘alleman’ en die zien alles na en zo. Wat ik je nu vertel is wat ik zelf heb ondervonden. Dat is echt, hoor! Ik moet dat zo twee, drie keer per jaar (doen), dan doe ik dat op de drie hoeken, wor. Dat doen we dikwijls als varkens slecht ‘baggele’ (= biggen werpen) of als een kalf kapot gaat of als er iets tegenslaat. Ja, dan heb je wat aan de melkmachine, dan wat aan de traktor. En dan doe ik dat zo. "Aan het begin", zeiden ze, "moet je dat drie avonden achtereen doen." Maar nu doe ik het één keer, maar ik bid drie keren. ’t Is toch allemaal iets (eigen)aardig, hé?!
Beschrijving
Als men iemand ongeluk had toegewenst, dan kreeg die andere persoon ook daadwerkelijk ongeluk. Een man wiens gerstveld vol mussen zat, ging in drie hoeken van zijn veld het Sint-Jansevangelie bidden. Eén hoek moest hij openlaten. Een tijdje later deed de man hetzelfde met zijn suikerbietenveld dat vol muizen zat. De man had dat gebruik overgenomen van een schaapherder.
Bron
H. Schoefs, Leuven, 1996
Commentaar
2.1 Heksen
limburgs (groot-riemst)
9S 226
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Sint-Jansevangelie   
Naam Locatie in Tekst
Zichen-Zussen-Bolder   
