Hoofdtekst
Aan 'Ventje' en aan 't 'Kattesteegske' doaboven, doa waren dwergskes, die speelden in de jaad (= aarde), ze deden ook niks as graven en ploeteren. Die werkten alleen 's nachts, overdag zag zje nooit geen. Mè ze hadden zo lang puntige schoen(en) en 'n hoog tuppige moets (= puntige muts). Hier was ereges een aad huis, doa was ene diepe stene(n) put en onder was een deur en doa kwamen ze uit, doa woonde ene man allein in. In de schapraai gingen die evermännekes eten uithalen en dan stond doa iet in e plak (= plaats) gezatte (= gezet). Mè gewoonlijk leefden die onder in de grond, in die ondergrondse gäng (= gangen) hier allemaal, in genootschap.
Onderwerp
SINSAG 0052 - Zwerge graben eine unterirdische Verbindung (Graben)
  
SINSAG 0070 - Erddämonen stehlen Speisen und Trank   
Beschrijving
In de buurt van 'Ventje' en het 'kattensteegje' woonden dwergjes met puntige schoenen en een puntige muts. 's Nachts hielden die alvermannetjes zich bezig met het graven van een onderaardse gang, die uitkwam in een put bij een oud huis waarin een alleenstaande man woonde. De dwergjes gingen bij die man vaak voedsel uit de kast halen, maar ze gaven er altijd iets voor in de plaats.
Bron
M. Dreezen, Leuven, 1967
Commentaar
1.2 Aardgeesten
limburgs (tongeren en omstreken)
20
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Ventje (Lauw)   
kattensteegje (Lauw)   
Naam Locatie in Tekst
Lauw   
