Hoofdtekst
Weerwolven die hadden ne band en als die hun uur kregen dan moesten zij iet doen en dan deden ze hunne band aan. Maar als ge die voorbij kwaamt, daar moest ge gene schrik van hebben, die zouden u niks gedaan hebben maar ge moest iet roods bij hebben. Als ge hem dat dan gaaft dan ging hij door, dan deed hij niks. Want daar ging er eens ene met e vrommes mee op wandel en toen ze 'n tijdje gegaan hadden zei de man die bij dat vrommes was: 'Ich moet eens effen ergens henne gaan. Gij moet gene schrik hebben want u iet moest tegenkomen, dan gooide uwe rode scholk (voorschoot) er maar voor, dan zal hij niks doen.' Ja en effen later kwam de weerwolf daar afgegaan en zij deed hare scholk af en gooide hem voor zijn snoet neer. En naderhand kwam hij terug en toen zag zij dat hij 't geweest was. Hij had de scholk kapot getrokken want hij had de stukken nog tegen zijn tanden hangen.
Onderwerp
SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.   
Beschrijving
Weerwolven hadden een halsband. Als men een weerwolf tegenkwam, moest men hem iets roods geven. Een man die met een vrouw ging wandelen, zei onderweg: "Ik moet even weg. Mocht er ondertussen iets op je af komen, gooi dan je rode zakdoek naar de verschijning". Even later kwam er een weerwolf aangelopen, die de rode zakdoek helemaal verscheurde. Toen de man terugkwam, zag de vrouw dat hij de vezels van de zakdoek nog tussen zijn tanden had.
Bron
I. Kenens, Leuven, 1957
Commentaar
1.6 Weerwolven
limburgs (noord-west)
297
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Achel   
