Hoofdtekst
De "verbrande Puttenaars" variante.
Wel meester, dat zal ik u eens uitleggen se. Nu klap (spreek) ik van in den tijd van mijn grootmoeder. Dat was een wakker vrames zenne! In de Brede Straat daar was een hoeve – die van Pottiskes hebben er nog gewoond – en in die hoeve daar ligt ne kelder, en in die kelder is er dan nog een beurreput (bornput, steenput). Mijn grootmoeder die was meise (meid) op die hoeve, kindermeise. Op ne keer was mijn grootmoeder daar alleen met die kinderen, want den boer en zijn wijf die waren naar de Mis te Putte: toen waren er nog maar twee Missen op nen dag: nu hebt ge alle minuten een. Op de Brede Straat, daar woonde veel krapuulmensen, want Nauwelaerts, die van die bende, die woonde daar ook, en er kwamen dikwijls een paar jonge mannen van een jaar of 18-19 bij dien boer, kijks (zogezegd) om te spelen. Op die zondagmorgen waren die mannen daar ook binnengekomen en ze hadden mijn grootmoeder al in de kelder gekregen, maar ze was dan toch buitengeraakt, want ze wist goed dat die mannen haar in dien beurreput wilden duwen. "Ik blijf hier niet meer alleen thuis", zei ze tegen den boer als hem van de Mis kwam. "Ja, 't zijn aardige kapoenen, dat weet ik wel", zei den boer. Nu, een week of drie nadatem (nadien) werden er brandbrieven gelegd in 't Leike: daarom heet dat nog de Brandstraat en dat is zo een straatje gelijk als 't dees. Langs weerskanten van de weg stonden wilgestronken en in één van die stronken lag nen brandbrief voor de Lofranshoeve. Die mensen moesten daar in een putteke een beurs met geld komen leggen of hun hoeve werd afgestookt. Die legden dat daar, maar twee mannen bleven achter ne stronk zitten, goed voorzien. Toen als ze daar al nen tijd gezeten hadden, toen kwam er ene aangereden met ne kruiwagen – dat was dan al rond een uur of twaalf – en die kwam daar zo half in zijn eigen knorrende aan: die had een koffer op zijne wagen staan en daar zat ne man in, maar daar was een gat door die koffer en door die kruiwagen en die reed, die wist ne schok te geven en dan stak die zijn hand daardoor en ze waren weg met het geld. Ze lieten die door en op den duur zegden die mannen: "'t Is al vier ure, wat is me dat nu, nu heeft er niks geweest." En die mannen gingen zien, maar die beurs met stukken van vijf frank, die was er natuurlijk uit. Ze hadden wel een voorgedacht op die twee mannen omdat dat bandieten waren, maar met den donkere hadden ze geen gezicht kunnen zien. Drie-vier weken nadatem grabbelden ze die aan: die hadden wat veel zwier gemaakt en ze moesten zeggen vanwaar al dat geld kwam. Die mannen die zijn dan aangehouden en hier op 't dorpsplein zijn die gestraft. Daar stonden toen twee lindebomen – dat zijn vrijheidsbomen die ze hier overal geplant hebben toen den Hollander hier weggegaan is – en die mannen die zaten in een kot van stro dat ze met pek en teer besmeerd hadden. Daar was ne galgepater en die zei tegen een van die mannen: "Awel, vriend, niks niet meer op uw geweten?" "Nee, ik heb met u geen zaken", zei die. "Kust O.L.Heer dan", zei de pater en hij stak zijn kruis vooruit. "Allé, weg met uw komedie", zei dien ene. In die lindebomen zat zoveel volk om te zien, dat nen tak afspalkte. "Hé, kijkt hier ne keer! Die stomme boeren, die zouden nog voor ons verongelukken, voor twee vagebonden", zegden die mannen en die stonden daar te lachen. "Kust O.L.Heer", zei de galgepater, maar die mannen die lachten daar eens mee. "Steekt het in brand" zei de pater toen. Toen ze gestikt en bekan (bijna) verbrand waren, hebben ze die mannen aan de galg gehangen tussen Putte en Keerbergen, op de scheiding van de provincie Antwerpen en Brabant: daarmee heet dat daar nog "De Putse Galg". Twee-drie dagen hebben die mannen daar gehangen, maar dan heeft de familie ze weggenomen en in de grond gestoken want die wilden geen schande voor hun eigen. Sommigen vertellen dat anders, maar ik weet dat beter.
Wel meester, dat zal ik u eens uitleggen se. Nu klap (spreek) ik van in den tijd van mijn grootmoeder. Dat was een wakker vrames zenne! In de Brede Straat daar was een hoeve – die van Pottiskes hebben er nog gewoond – en in die hoeve daar ligt ne kelder, en in die kelder is er dan nog een beurreput (bornput, steenput). Mijn grootmoeder die was meise (meid) op die hoeve, kindermeise. Op ne keer was mijn grootmoeder daar alleen met die kinderen, want den boer en zijn wijf die waren naar de Mis te Putte: toen waren er nog maar twee Missen op nen dag: nu hebt ge alle minuten een. Op de Brede Straat, daar woonde veel krapuulmensen, want Nauwelaerts, die van die bende, die woonde daar ook, en er kwamen dikwijls een paar jonge mannen van een jaar of 18-19 bij dien boer, kijks (zogezegd) om te spelen. Op die zondagmorgen waren die mannen daar ook binnengekomen en ze hadden mijn grootmoeder al in de kelder gekregen, maar ze was dan toch buitengeraakt, want ze wist goed dat die mannen haar in dien beurreput wilden duwen. "Ik blijf hier niet meer alleen thuis", zei ze tegen den boer als hem van de Mis kwam. "Ja, 't zijn aardige kapoenen, dat weet ik wel", zei den boer. Nu, een week of drie nadatem (nadien) werden er brandbrieven gelegd in 't Leike: daarom heet dat nog de Brandstraat en dat is zo een straatje gelijk als 't dees. Langs weerskanten van de weg stonden wilgestronken en in één van die stronken lag nen brandbrief voor de Lofranshoeve. Die mensen moesten daar in een putteke een beurs met geld komen leggen of hun hoeve werd afgestookt. Die legden dat daar, maar twee mannen bleven achter ne stronk zitten, goed voorzien. Toen als ze daar al nen tijd gezeten hadden, toen kwam er ene aangereden met ne kruiwagen – dat was dan al rond een uur of twaalf – en die kwam daar zo half in zijn eigen knorrende aan: die had een koffer op zijne wagen staan en daar zat ne man in, maar daar was een gat door die koffer en door die kruiwagen en die reed, die wist ne schok te geven en dan stak die zijn hand daardoor en ze waren weg met het geld. Ze lieten die door en op den duur zegden die mannen: "'t Is al vier ure, wat is me dat nu, nu heeft er niks geweest." En die mannen gingen zien, maar die beurs met stukken van vijf frank, die was er natuurlijk uit. Ze hadden wel een voorgedacht op die twee mannen omdat dat bandieten waren, maar met den donkere hadden ze geen gezicht kunnen zien. Drie-vier weken nadatem grabbelden ze die aan: die hadden wat veel zwier gemaakt en ze moesten zeggen vanwaar al dat geld kwam. Die mannen die zijn dan aangehouden en hier op 't dorpsplein zijn die gestraft. Daar stonden toen twee lindebomen – dat zijn vrijheidsbomen die ze hier overal geplant hebben toen den Hollander hier weggegaan is – en die mannen die zaten in een kot van stro dat ze met pek en teer besmeerd hadden. Daar was ne galgepater en die zei tegen een van die mannen: "Awel, vriend, niks niet meer op uw geweten?" "Nee, ik heb met u geen zaken", zei die. "Kust O.L.Heer dan", zei de pater en hij stak zijn kruis vooruit. "Allé, weg met uw komedie", zei dien ene. In die lindebomen zat zoveel volk om te zien, dat nen tak afspalkte. "Hé, kijkt hier ne keer! Die stomme boeren, die zouden nog voor ons verongelukken, voor twee vagebonden", zegden die mannen en die stonden daar te lachen. "Kust O.L.Heer", zei de galgepater, maar die mannen die lachten daar eens mee. "Steekt het in brand" zei de pater toen. Toen ze gestikt en bekan (bijna) verbrand waren, hebben ze die mannen aan de galg gehangen tussen Putte en Keerbergen, op de scheiding van de provincie Antwerpen en Brabant: daarmee heet dat daar nog "De Putse Galg". Twee-drie dagen hebben die mannen daar gehangen, maar dan heeft de familie ze weggenomen en in de grond gestoken want die wilden geen schande voor hun eigen. Sommigen vertellen dat anders, maar ik weet dat beter.
Onderwerp
SINSAG 1320 - Andere Räubergeschichten.   
Beschrijving
Een meisje werkte als meid op een boerderij in de Bredestraat in Putte. In die boerderij was een kelder met een bornput. Toen de boer en de boerin op een zondagochtend naar de mis waren, kwamen er enkele jongemannen van achttien of negentien jaar op bezoek. De meid werd in de kelder opgesloten, maar ze wist te ontsnappen, want ze begreep dat de kerels haar in de bornput wilden duwen. Na dat voorval verklaarde de meid aan de boer dat ze niet meer alleen durfde thuisblijven. Enkele weken later werden in 't Leike brandbrieven gelegd. De bewoners van de boerderij moesten op een bepaalde plaats geld leggen. Deden ze dat niet, dan zou hun woning in brand worden gestoken. De mensen legden het geld op de aangewezen plaats en bleven achter een boom zitten om de wacht te houden. Er verscheen echter niemand, behalve een man met een kruiwagen waarop een koffer stond. De mensen wisten niet dat in die koffer een gat was en dat er een man in zat, die het geld ongemerkt van de weg moest oprapen. Toen ze later op de dag gingen kijken, was de geldbeurs dan ook verdwenen.
Enkele weken later zijn de rovers opgepakt. Ze hadden grote sier gemaakt met het geld en konden niet zeggen waar ze het geld vandaan hadden gehaald. De rovers werden in een hok van stro opgesloten en het stro werd vervolgens in brand gestoken. Daarna werden ze tussen Putte en Keerbergen aan de galg gehangen. Die plaats heet nog steeds 'Putse Galg'. Na twee of drie dagen hebben de familieleden de lijken van de galg gehaald en begraven om verdere schande te vermijden.
Enkele weken later zijn de rovers opgepakt. Ze hadden grote sier gemaakt met het geld en konden niet zeggen waar ze het geld vandaan hadden gehaald. De rovers werden in een hok van stro opgesloten en het stro werd vervolgens in brand gestoken. Daarna werden ze tussen Putte en Keerbergen aan de galg gehangen. Die plaats heet nog steeds 'Putse Galg'. Na twee of drie dagen hebben de familieleden de lijken van de galg gehaald en begraven om verdere schande te vermijden.
Bron
W. Van Hoof, Leuven, 1963
Commentaar
4. Historische sagen
antwerps (heist-op-den-berg en omgeving)
423
Grootmoeder van de informant
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Putte   
Plaats van Handelen
Putse galg (tussen Putte en Keerbergen)   
Putte   
Keerbergen   
Bredestraat (Putte)   
