Hoofdtekst
De jongens die niet wel en kunnen drinken, dat is vervolgd, de vrouwmenschen met nulder boeken z’hebben macht op de kleine jongens maar dan op grote mensen. Ik heb hier gewijgd boven de deure, ’t en kut hier geen een toverege binnen. ’t Waren der hier twee, drie die dat kunnen op de prochie, dat waren toverboeken, ze kunnen de menschen doen verdolen ook.
Beschrijving
Als een kind niet wilde drinken, dan was dat omdat het kind betoverd was. In Houtkerke woonden twee of drie mensen die toverboeken bezaten. Om zichzelf tegen toverij te beschermen, moest men iets gewijds boven de deur hangen.
Bron
A.-M. Devynck, Leuven, 1965
Commentaar
2.3 Toverboeken
west-vlaams (franse grens)
403
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Houtkerke   
Plaats van Handelen
Houtkerke   
