Hoofdtekst
2 Hier in het dorp hadt ge dan ook nog holbewoners. En ik zal u aanwijzen waar die holen stonden. En die mensen … Ik heb nog gedeeltelijk overblijfselen ervan (van die holen) gezien. Dat is niet dat dat van horen zeggen is. Ik - ik ben nu achtenzeventig - heb nog gedeelten ervan, toen er andere huizen gebouwd werden, heb ik daar die holen nog gezien. En mijn moeder, die van hier is en dan, die in 1879 geboren is, maar ook van in de Kwartel naar haar grootouders (= † Jan Reggers - Vrijens, Kwartelstraat) moest komen. Dat waren weeskinderen, m’n moeder (en haar broers en zussen). Die wist dat en die had van niks geen schrik, m’n moeder. Men vader (= † Lambert Reggers - Reggers, Waterstraat 13) ook niet. Dit zit (zo): wij zijn daar niet plichtig aan. Awel en dan vroeg ik: "Wat weet gij daarvan?" omdat ik nogal nieuwsgierig van aard ben. Awel, die holbewoners hadden allemaal een naam, maar geen gewone naam. Dat was: de Rat, de Muis, het Veulen, de … Hoe heette die? De "Wùlle". Dat wil zeggen: de halve gare, die altijd maar in lompen liep en zo. En dan de Gart, en Ome, die de Hollanders - echt gebeurd! - die de Hollanders achter de gevechtslijn ging vermoorden. Awel, dat was een jonkman. Awel, vroeger was vechten een spel. Moorden was een spel. Awel, en Ome, die woonde hier… bij Leoke (= † Leo Pauly - Herrmann, Waterstraat 25, goede vriend van onze grootvader). En dan kwamen de Hollander, de soldaten met de lansen - want dat was vroeger niet met geweren en zo - en die staken door het stro af omdat Ome zich verstak in het stro. Ze vermoedden dat omdat ze hem nooit konden vinden. Ze hebben hem nooit kunnen krijgen.I En in welk jaar was dat dan met die soldaten?2 Welk jaar? Ja, dat moet wel in 1700, 1600-en, 1700 geweest zijn. Want toen is het hier ook ingestort bij Triene (= † Catharina Gielen - Clerdy, Waterstraat 7). Triene weet ge wonen? Awel en waar Gillianne (= Gillianne Lenaerts - Durlet, Waterstraat 2) en Rita (= Rita Thomassen - Durlet, Waterstraat 4) wonen: daar zijn huizen ingestort. Daar kunt ge een beschrijving van vinden in de bibliotheek van Maastricht, in de stadsbibliotheek, van die instorting hier. Awel, waar was ik nu? Ah, ik was van Ome aan de gang, hé!I Ja. En verstopte die zich dan ook in de grond, die Ome?2 Van die holbewoners was ik aan de gang, ja. Weet ge waar dat was?I Nee.2 Weet ge waar meester Leo (= Leo Jans -Eycken, Mgr. Trudojansstraat 19) woont?I Ja.2 Waar dat hu!is staat - dat is een mooi huis, hé?I Ja.2 Awel, daar stonden holen. Heb ik gezien.I En hoe zag dat er uit? Hoe zag zo’n hol er uit?2 Hoe dat er uit zag? Ge ging gelijk naar een kelder in. In de grond woonden die mensen. Maar die mensen heb ik niet gekend, hé! Maar ik heb gedeeltelijk … Toen ze dat huis wat er nu staat gingen bouwen, hebben ze dat opgeruimd wat daar was: een oude stal en zo. Awel, en toen kwamen ze dan, die holen, kwamen bloot. En toen was ik zo’n pagadder van een jaar of vijf, zes. In het ganse dorp bijna was ik de speelbal van de oudere mensen omdat ik … Een oudere mens, daar moest ik mee praten.I Maar waarom leefden die mensen in die holen?2 Waarom?I Ja.2 Omdat … de armoe. Die hadden geen eigendom, gingen bedelen sommigen. Anderen die deden karweitjes bij anderen om wat te verdienen en zo. Ze hadden een varkske vastliggen of een paar konijnen of enkele hennen. Dat was te zien: de enen hadden dit, de anderen hadden dat. Maar ze gingen ook stelen, hé!I Hadden die dan met heksen iets te maken?2 Met heksen feitelijk niet.
Beschrijving
In de zeventiende en achttiende eeuw woonden in Zussen holbewoners.
Bron
H. Schoefs, Leuven, 1996
Commentaar
4. Historische sagen
limburgs (groot-riemst)
2D 26
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Zussen   
Plaats van Handelen
Zussen   
