Hoofdtekst
In Beek daar was er ne boer en die ze paard had iet gekregen. 't Begos ineens te zweten, te zweten en 't ging hem kapot. Ja, daar zat niks op als maar nen andere te kopen maar die kreeg 't zelfde. Potverdekke, de kwaai hand zit er aan, zei hij en ons vader leefde nog en hij daar naartoe. 'Kom toch eens mee want 't paard krijgt 't weer', zo zei hij tegen ons vader. Ja, dat was goed, hij ging naar de pastoor. 'Gij moet mijne stal komen overlezen want de kwaai hand zit er aan.' Maar wat gij hier komt vertellen dat bestaat toch niet en dit en dat. Dat bestaat zeke, zei de mens en ich ga hier nie weg voordat ge mij geholpen hebt en als ge mich nie helpt, dan ga ich verder, eerst naar den deken en als die mich oech nie helpt dan ga ich naar de bisschop. 'Ja Truyens, zet u dan maar effen neer' zei de pastoor en toen begon hij te vragen. 'Is 't ne bruine of ne grijze' en zo voort hé. 'Ja, gaat nu maar naar huis' zei de pastoor ' nu is 't gedaan.' En hij keek op zijn horloge en de zoon die thuis gebleven was, die moest dan oech kijken op zijn horloge, wanneer dat 't gedaan was. En just op 't moment dat de pastoor zei, was 't gedaan. Dat zal zo'n zestig jaar geleden zijn. Maar wie de pastoor terug kwam uit z'n kamer, dreef hem 't zweet langs zijne kop af. 't Was toen zo half elf, elf uren onderhand. Zo had hij zich moeten weren tegen de kwaai hand.
Beschrijving
In Beek woonde een boer wiens paard de hele tijd hevig zweette en uiteindelijk stierf. Toen de boer een ander paard had gekocht, kreeg dat dier dezelfde kwaal. Daarom besloot de man naar de pastoor te gaan. De geestelijke had zich zo erg tegen de kwade hand moeten verzetten, dat hij helemaal bezweet de kamer verliet.
Bron
I. Kenens, Leuven, 1957
Commentaar
2.1 Heksen
limburgs (noord-west)
170
Ongeveer 60 jaar geleden.
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Neerpelt   
Plaats van Handelen
Beek   
