Hoofdtekst
Babbeke Felix, een oud wuveke, een toeoveresse, weunde niet verre van Portemans, ip de Pauwhoek. Ze had heurne eigen vint betoeoverd. Je was ol acht joar ziek en je koste niet doedgoan. Je lag te kermen van ’t zeer (te kreunen van de pijn). Ze zeien ertegen: “Babbeke, hoe da je zoeo joene vint kunt loaten ofzien, er moet hem dat entwiene gedoan of gezet hèn.” ’t Zei: “die het gedoan hèt, moet het mo weten”. Ze hèn ton achter de poaters gewist van Tielt en oe ze hem belezen han, kost ne doeodgoan.Te Portemans nie verre ervan, han ze nooit geen beuter ne meer. Een poar gebeurs vergoarden er ne keer en bleven ip. Roend den elven hoeorden ze leven in de kelder. Ze grepen elk ne stok en trokken noa de kelder. Er zat een groeote zworte katte in. Elk sloeg er noa mo ze kosten ze niet passen. Oet ze ip de latsten trap was sloeg er een ip heurne poeot. ’s Anderendoags, oet die bende noa de messe gienk riepen ze an Babbeke’s hus: “Babbeke, goa je niet meer noa de messe”? “Niè’k”, riep het “ik hè gevallen (er lag sneeuw) en ik hè mienen oarme gebroken.
Onderwerp
SINSAG 0640 - Hexentier verwundet: Frau zeigt am folgenden Tag Malzeichen.
  
SINSAG 0580 - Andere Hexenkünste   
Beschrijving
a) In Oostrozebeke woonde een heks die haar eigen man had betoverd. De man was al acht jaar ziek, maar hij kon niet sterven. Nadat de man door de paters van Tielt was overlezen, kon hij eindelijk sterven.
b) Op een boerderij waar men geen boter meer kon karnen, besloot men op een avond de wacht te houden. Omstreeks elf uur hoorden de mensen lawaai in de kelder. Ze trokken naar beneden en zagen een grote zwarte kat zitten. De mensen sloegen met een stok naar het dier, maar konden het niet raken. Na verschillende pogingen kon iemand de kat toch op de poot slaan. Toen die mensen de volgende dag door de sneeuw naar de mis gingen en voorbij het huis van een heks kwamen, riepen ze: "Hé, ga je niet mee naar de mis?" Daarop antwoordde het vrouwtje: "Neen, ik ben gevallen en ik heb mijn arm gebroken".
b) Op een boerderij waar men geen boter meer kon karnen, besloot men op een avond de wacht te houden. Omstreeks elf uur hoorden de mensen lawaai in de kelder. Ze trokken naar beneden en zagen een grote zwarte kat zitten. De mensen sloegen met een stok naar het dier, maar konden het niet raken. Na verschillende pogingen kon iemand de kat toch op de poot slaan. Toen die mensen de volgende dag door de sneeuw naar de mis gingen en voorbij het huis van een heks kwamen, riepen ze: "Hé, ga je niet mee naar de mis?" Daarop antwoordde het vrouwtje: "Neen, ik ben gevallen en ik heb mijn arm gebroken".
Bron
R. Callens, Leuven, 1968
Commentaar
2.1 Heksen
west-vlaams (tielt en izegem)
241
fabulaat
Naam Overig in Tekst
paters van Tielt   
Tielt (paters van)   
Naam Locatie in Tekst
Oostrozebeke   
Plaats van Handelen
Oostrozebeke   
