Hoofdtekst
Toe mijn broere’s, Camiel Putter, z’hadden daar ook al twee joengens (kinders) die under (zich) dood geschrèmd (geschreeuwd, gehuild) hadden. En Pito Vergauwe zei, dat is dat vrouwmens die dat doet, me gaan ze niet namen (noemen), z’heeft zij de kwaan hand, ze mag toe t’uzent (bij ons) ook niet meer over de zulle (dorpel) komen. En z’hebben zieder (zij) ton (dan) den derden doen wijden. En j’ister al gelijk door gekomen, Léon. En as de paters geweest hadden voor te belezen, s’heeft nooit meer gekomen, ze koste niet meer, ze koste zij niet meer bij ons binnen.
Beschrijving
Een man van wie al twee zonen waren gestorven, verdacht een heks ervan dat ze de kinderen de kwade hand had aangedaan. Nadat men de derde zoon door een pater had laten zegenen, is de heks niet meer binnengekomen. Dat kind is blijven leven.
Bron
J. Aspeslagh, Leuven, 1958
Commentaar
2.1 Heksen
west-vlaams (kamerlingsambacht)
219
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Stene   
