Hoofdtekst
In Troot werkte ene aan e dorsmachien en terwijl zagter e wijf doorkomen. - 'Is dat die heks?' vroeg ene wa zäk (= gie graanzakken) aan 't wegdragen was. - 'Da's zeker!' zei den andere. - 'Ich zal ze eens kloeten! (= kullen)' zeiter, en he ging e kruis voor haar deur leggen en ze kon nie door, jong! Zij kon niemee uit, en ze was toch zo kwaad! hoe! ze moes(t) noen koken... ze was toch zo kwaad, hein! en mijne kameraad he(ef)t het kruis dan weggestoten, toen was ze rap doa, ze! En wei ze moes(t) stereven kon ze nie stereven, die mach(t) moet overgenomen jonne (= wworden), mè wie neemt dat af??
Beschrijving
In Troot waren enkele mannen het graan aan het dorsen, toen er plots een heks voorbijkwam. Eén van de mannen wilde de heks plagen en legde een kruis vóór de deur van haar huis, waardoor de heks niet meer naar buiten kon. Omdat de heks woedend werd, heeft de man snel het kruis weggenomen.
Toen de heks op haar sterfbed lag, kon ze niet sterven omdat er niemand was die haar kunsten wilde overnemen.
Toen de heks op haar sterfbed lag, kon ze niet sterven omdat er niemand was die haar kunsten wilde overnemen.
Bron
M. Dreezen, Leuven, 1967
Commentaar
2.1 Heksen
limburgs (tongeren en omstreken)
804
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Overrepen   
Plaats van Handelen
Troot   
