Hoofdtekst
dô was ene joeng, dee zag ’s nachs mor altêd iemand springen en dânse; en dee kam binne, deen toeuvereer; en as hem böteging, was alles gedôn; de joengen hei noeut niks nemie gezien.
Beschrijving
Wanneer er 's nachts een tovenaar binnenkwam, zag een jongen de hele tijd iemand springen en dansen.
Bron
A. Abeels, Leuven, 1965
Commentaar
2.2 Tovenaars
limburgs (sint-truiden)
567
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Brustem   
