Hoofdtekst
’t Was in den oest. Drie pikkers en drie binders waren op ’t stuk (land) aan ’t werk. Ze schoffelden om gedaan want er dreigde een onweer. Nen Duitse Schaper kwam daar voorbij en, zei hij, tegen de binders: "Tink mij dat ge zo ver achter zijt bij de pikker; kom hier, zei hij, leg u plat op uwen buik, zei hij, met ’t aangezichte tegen de grond en kijkt noch op noch om. Binst de mirrelen tijd, ’t waren lijk al rô toepkes die bezig waren met binden. Ene, z’en kostege ’t niet laten en ze keek toch op. Als ze tenden gekomen waren, lagen al de bondels daar gemaakt, uitgeweert de die van die vrouw die opgekeken had.
Beschrijving
Tijdens de oogst waren enkele mannen en vrouwen verwoed op het veld aan het werk omdat er een onweer dreigde. Een voorbijwandelende Duitse schaper gaf de knechten en meiden de raad op de grond te gaan liggen zonder te kijken. Even later verschenen op het veld allemaal 'rô toepkes' die de oogst bijeenbonden. Eén van de vrouwen had stiekem gekeken naar wat er gebeurde. Even later was al het werk gedaan, behalve het deel van de vrouw die had gekeken.
Bron
M. Sagaert, Leuven, 1955
Commentaar
1.2 Aardgeesten
west-vlaams (zuiden)
4
fabulaat
Naam Overig in Tekst
rô toepkes   
Duitse schaper   
Naam Locatie in Tekst
Marke   
