Hoofdtekst
Variante. Hier in Petegem heeft er ook nog alzo ne raren geweest, dat was nen toverare, hij ging omme met den duivel, want hij had een beestje en als het ne keer ievers scheef zat zeide hij: “Ik zal mijn beestje laten komen”, en de mensen waren daar schui van. O, allee, 't was ne raren dat peetje Luus, en 't was gelijk op welk ne stoel dat hij zijn ellebogen lei, die stoel kraakte dat het wreed was, en hij kost van alle soorten talen, de mensen gaven hem den naam van Klaver-here ewel, 't was juist alzo enen ook. En hij leefde maar van water, brood en rapen en voor te slapen en lei hij hem nooit neer, maar hij zat altijd op zijnen huk in nen hoek te slapen. En hij moest alle dagen een druppelke bloed aan den duivel geven.
Beschrijving
Een tovenaar uit Petegem die met de duivel omging, bezat een beestje waardoor hij over bijzondere krachten beschikte. Wanneer er ergens iets misliep, zei de man: "Ik zal mijn beestje laten komen". De man kende alle talen, leefde op water, brood en rapen en sliep gehurkt in een hoek. Iedere dag moest de man een druppeltje bloed aan de duivel geven.
Bron
S. Bohez, Leuven, 1956
Commentaar
3.1 Duivels
oost-vlaams (tussen leie en schelde)
469
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Petegem   
Plaats van Handelen
Petegem   
