Hoofdtekst
De bokkerijders hadden de was van de koningin gestolen en toen had de koningin dat laten verbidden en ze deed een rondreis door alle landen bo (waar) de bokkerijders waren. Toen hadden ze ergens op een plaats hout bijeengeworpen en dat aangestoken en alle bokkerijders van de omtrek goengen do van alleen henen (naartoe) zonder dat ze wisten waarvoor. Die hoefden maar een woord te zeggen om do te komen. De bokkerijders vlogen allemaal dat vuur in en ene man van Diepenbeek die had zilveren sporen aan en die riep: ''t Is al water en vuur wat ge zien kunt' en toch goenken ze maar door. Ze vlogen allemaal dat vuur in en zo is dat uitgeroeid geworden.
Onderwerp
SINSAG 1320 - Andere Räubergeschichten.   
Beschrijving
Omdat de bokkenrijders haar wasgoed hadden gestolen, maakte de koningin een reis door alle landen waar de rovers vertoefden. Nadat men ergens een vuur had aangelegd, werden de bokkenrijders door één of andere kracht gedwongen om zich in de vlammen te storten. "Het is allemaal water en vuur", sprak een bokkerijder uit Diepenbeek, die zilveren sporen droeg. Omdat alle bokkenrijders gedwongen werden zich in het vuur te laten vallen, slaagde men er eindelijk in de rovers uit te roeien.
Bron
W. Jackers, Leuven, 1958
Commentaar
4. Historische sagen
limburgs (bilzen)
576
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Bilzen   
Plaats van Handelen
Diepenbeek   
