Hoofdtekst
27 FF -En hij (de broer) is naar het kerkhof gegaan en bloemen gelegd en nu die gaat hij, alle drie vier maand gaat hij nog naar het kerkhof en hij heeft niets meer gezien en hij die zegt, maar ze hebben weest beevaarden ook hé.I -Wilt ge dat nog eens zeggen dat ze daar verscheen was?II -Maar dat was haar broer die ertegen was?27 -Die zo venijnig was hé.II -Die ertegen was dat die jongen waar dat ze mee op trouwen stond daar ook zou van getrokken hebben?27 -Ja, ja, en hij heeft dat gehad. En zij zei: “Ah ja,” zegt ze,”dat is g’heel zeker ...I -Maar was ze uit die beek gekomen die vrouw?27 -Maar ze hebben een wreed, die beek woelig allez, ja, en een wrede klaarte gezien en dat vrouwmens was ievers gegaan bij een pater, bij een pastoor en ze zeiden: “Dat hij een keer naar haar graf gaat, allez, regelmatig en met bloemen, het zal niet meer gebeuren.”II -En dat ongeluk wie ôt (had) dat gehad, ôt (had) hij dat samen gehad?27 -Nee, nee, ze ‘n ôn (hadden) zij dat niet samen gehad.II -Zij was verongelukt? Alleen?27 -Ja, een opgereden gelijk dat ze naar haar werk reed. Gelijk van verpleegster, gelijk dat ze naar de kliniek reed, allez.I -En wanneer is dat gebeurd?27 -Ik peins dat dat toch al een jaar of twaalf, dertien is, dat ze dan ze heeft mij dat verteld, zegt ze, “Aiaiai” zeg ik, “Ja, mijn schaap” zegt ze, “nu moet ik u (iets vertellen)” zegt ze, “gij die zo nog,” wilde ze zeggen: “die nog katholiek (zijt)”, zegt ze: “Is dat (de rest van het zinnetje is onverstaanbaar)”, ik zeg: “Ja, mijn schaap ik weet dat niet ze (hoor).” En van ??? die gaat de die hé, van als dat voorgevallen was hé, die gaat de die nu regelmatig, godverdomme, hoe noemen ze dat? Allez gij met uw ding zou dat moeten weten, die de geesten oproept.I -Ah ja, spiritisme?27 -Ja, maar hoe noemen ze dat?I -Een medium?27 -Een medium. Allez en hij heeft een keer of twee meegeweest en het was gedaan, ze (hoor).II -En die vrouw, die Marie-Trees daar die was getrouwd met de broer van dat meisje?27 -Nee, nee, dat is haar moeder. Die zegt, ik moest ik horen jong, lelijk dat dat vrouwmens zag, zegt ze: “Allez en in de tijd naar de kerk en al zo.”(Lea maakte de zinnen waarin ze parafraseert wat de vrouw zei, niet vaak af. Misschien is ze een beetje verveeld dat het toch opgenomen wordt?)I -Hoe wie zag er lelijk? Ah ja, die vrouw, die moeder?27 -Die moeder, ze zegt: “Allez,” tegen mij, “is dat nu”, ik zeg “wel merci” en zegt ze: “Ze hebben mij aangeraden van dat en dat hij moet naar de kliniek en naar het graf en al gaan.” Ik zeg: “Ja” en nu gaat zij nog regelmatig.II -Jamaar ja, ‘t was dat meisje die verongelukt is die zogezegd kwam spoken omdat haar broer daartegen was ...27 -Ja, het schijnt.II -En bij wie kwam ze thun (dan) spoken? 27 -Bij hem hé.II -Bij haar broer?27 -Ja, hij woont ginder helemaal ...II -En die Marie-Trees dat was zijn vrouw thuns (dan)?27 -Zijn moeder.II -Ah zijn moeder.I -En waar woonde die man ieverans zo? Welke beek was dat?(Informante 27 blaast.)I -Dat was hier niet in Zottegem?27 -Nee, nee, ‘t is hier in Zottegem niet, ze (hoor) het is ginder al de kanten van Brakel. “Ja, maar man hebt gij dat? ah, ja, mijn schaap hebt gij dat?” ik zeg: “Ja, hij kan het ondervinden hé.” ik zeg: “Allez, daaraan ziet ge hé.” en zij is nu wreed, ze gaat zij, “Oei oei,” zegt ze, “het zijn er veel ze (hoor) met allemaal slachtoffers waar dat die ouders daar naartoe gaan.” En ja, bij de ene die gaat het voor ze op te roepen en bij de andere ... (stilte) dat ik het niet en (weet).II -Ik ook niet, ik weet het ik ook niet.I -Dat is wel eigenaardig.II -Maar ze kwam, die beek wierd woelig en ...27 -Ze zeiden dat dat een klaarte was iets formidabel en ik zei tegen haar: “Het onweerde daar misschien?” “Ja, ‘t en doet, ‘t en doet (toch niet)” zei ze, “want ge moest ze daar een keer zien toekomen hebben! Ze dierven zij niet meer thuis blijven.”II -Ah ja, en dat was haar zoon die thuns (dan) bij haar gevlucht was, bij zijn moeder omdat hij dat voorgehad had?27 -Ja, vaneigens. En zo die ziet gij nog van sinds??? die gaat zij, maar nu ja, is zij al een jaar of vijf zes thuis en heb ik daar zo geen contact niet meer mee, maar thuns (toen) ging ze regelmatig, ze (hoor) en haar man gaat mee. ‘t Zijn d’er van Zottegem ook verscheidene.I -En weet ge nog zo dingen van die mediums of hebt ge daar nog al horen van vertellen.27 -Ah neen ik, maar dat is zij nu, want zij die zei als Marguerite dan dood was hé, euh, ja, Marguerite was voor Christien dood, peins ik, ja, ja en dat ze thuns (dan) zei tegen mij: “Aiai,” zegt ze, “ d’er zijn d’er zo nog,” zegt ze, “die gaan, allez, ga eens mee”, ik zeg: “Ah Marie-Treesken, ‘k en doe (toch niet) ze (hoor).” ik zeg: “Ik ga daar niet mee naartoe ze (hoor) hé!”I -Maar ze zeggen dat dat soms gevaarlijk is, die ene vent zei dat toch hé.II -Ge moet daar toch niet schou van (bang voor) zijn.27 -Ik doe het toch niet, ik vind, Raphaël, ...II - ‘t geen dat dood is, is dood.27 - ... iemand die naar de eeuwigheid is, moet ge in de eeuwigheid laten.II -Ah ja, ‘t is juist, ‘t is juist.(Ik vertel nu wat ik ooit van een vriendinnetje van de lagere school vernam over geesten oproepen. Dit schreven wij niet uit.)II -Maar daar is het toch goed, het is omdat haar broer op zijn zuster haar nek gezeten ôt (had), dat zij komen spoken was zogezegd aan die beek.27 -Dat is uitsluitend.II -En thuns (dan) heeft hij naar het kerkhof geweest en ‘t was gedaan.27 -En ‘t was gedaan.I -En heeft die jongen dan iets gehad, die verloofde?II -Maar dat was de verloofde niet het was haar broer.I -Dat weet ik, maar haar broer..27 -Ja, ja, maar,... ‘t was dat dat hij wist hé die broer en dat hij zo kwaad was hé, dat hij zei: “Dat is geen familie”, dat was nog geen familie, maar ja, de advokaat die zei: “Hij moet er een vierde, een derde...” allez, maar hij voor pijn en smart en hij (de broer) was daar kwaad voor hé en telde niet, ze (hoor).I -En heeft hij het (smartegeld) dan gehad die gast?27 -Ja, ja.I -Ah, dan is het toch wel goed.27 -Want ‘t was nadien hé, een hele tijd nadien hé! En zegt ze tegen mij: “wat zou...(afgebroken)” ik zeg: “ga een keer ieverst”. Ik peins, is het in Gent niet?II -Die paters? 27 -Ja.II -Dat kan, ik weet dat niet.I -De witte paters Augustijnen.27 - ‘t Moet toch, alle paters en kunnen dat ook (niet) allez ja.I -Ik heb gehoord in Gent dat dat de Witte paters waren die dat deden, dat zeggen de meeste mensen toch, ze zeggen direct: “ah ja, de witte paters.”27 -Ja, ‘t is, ze ôt (had) het gevraagd aan een pastoor ook en hij zei: “Ja,” zegt hij, “Ik kan dat wel wijden en doen” zegt hij, “Maar als het een ??? is”. En thuns (dan) ôt (had) er haar iemand gezegd, want weet ge wie dat er ook meegaat? Waar dat die zoon van verongelukt is, dat moet gij toch kennen.
Onderwerp
SINSAG 0450 - Andere Tote spuken.   
Beschrijving
Een jonge meisje uit de buurt van Brakel werd doodgereden op de weg naar haar werk. De familie van het meisje kreeg schadevergoeding en ook haar vriend had recht op een vierde van het smartegeld. De broer van het meisje beschouwde de vriend van zijn zus echter niet als familie en weigerde de jongen zijn rechtmatig deel te geven. Daarop zou het dode meisje bij haar broer zijn gaan spoken om haar ontevredenheid over deze gang van zaken uit te drukken. De broer meende bij de beek een lichtverschijnsel te zien. Van de pastoor kreeg hij de raad om op bedevaart te gaan en om regelmatig bloemen op het graf van het meisje te leggen. Nadat de broer enkele keren naar een spiritist was geweest, verscheen zijn zus niet meer. De vriend kreeg ook zijn rechtmatig deel van het smartegeld.
Bron
C. De Winne, Leuven, 1999
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
oost-vlaams (groot-zottegem)
27FF
Omstreeks 1995
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Grotenberge   
Plaats van Handelen
Brakel   
