Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

KERAR0182_0184_16721 - Betoverde Hofstede

Een sage (mondeling), 1966

Hoofdtekst

Dat was op een hofstede hierbij van de weeuwe Soetaert. ’t Was daar een maarte die niet heel fijn (verstandelijk minder begaafd) was. Al met een keer kwam ze zij uit haar bedde gesprongen dat heel d’hofstee in vier en vlamme stond en ze had zij door de kamer gelopen, door de kamer in ’t vier, zei ze. Al ’t werkvolk stond op in ulder hemde en als ze zij buitenkwamen, ze zagen zij niet. Veertien dagen later, éh ja, ze zeien zij dat dat vrouwmens zot was, ze was een beetje simpel, maar ze zei zij altijd dat dat waar was dat ze door de vlammen gesprongen had op heur kamer. Vertien dagen later, ’t zelfde, maar ’t werkvolk kleedde ulder toen, als ze zij buiten kwamen, ze zagen were niet! Nu, mijn vader en zijn schoonbroere sliepen tegare in ’t bedde in ’t perstal (paardestal). Boven ulder bedde liep er een gote door de meur vanaf de pompe, voor koeidrinken, en daarboven was er en planke waarop dat ze zij ulder goed leien en ulder pakjes. En op zekeren keer, die planke begoste te buisen op de slag van ten elven. Ze stonden op en z’aanstaken den lantèren en met dien lantèren t’aansteken, die planke en buiste (lawaai maken) niet meer. "Ja”, zeggen ze, "zou je geloven dat me gekuld zijn van Pauwlijn’s volk”? Van de domestieken van d’hofstee daar bij, "maar wacht een keer tot morgenavond, als ze afkomen me gaan hommelpersen (staken waar hopperanken rond groeien) gereed zetten”, ziet, dat was een hofstee met wallen, "me gaan elk al een kant gaan en me gaan slaan en me gaan ze in ’t water doen springen”! Maar neen, als het elve was, die planke begoste slaan, zij uit dat bedde, die persen gepakt en zij rond die wallen. Maar als ze daar kwamen, ’t was daar niemand te zien! En die planke buiste nog. Achter een lang ende als ze were waren, die planke buiste niet meer. Ten langen leste dat was altijd ’t zelfde: ten elven, die planke buiste, die pakjes vielen daaraf en als dat gedaan was, die pakjes lagen daar van ’t zelfs weer op. En al met een keer, mijn vader’s schoonbroer had een schonen stok, waarvoor dat hij dikkens (dikwijls) vijf frang geboên was, die toen vele geld was, en al met een keer zegt hij: "’k Gaan een keer kotteren (koteren), ‘k gaan een keer tasten met die stok in de gote”. En je gong en zijn stok zat er nog maar gildig (nauwelijks) tegen: "Jako, Jako, Jako, kom”, zei hij, "ik kun mijn stok niet houden”! J’heeft hij dien stok uit zijn handen getrokken geweest en hij heeft nooit van zijn leven dien stok niet meer gezien. Nooit niet meer, ze was weg. En zegt hij al met een keer: "Me gaan dat een keer anders doen. Me gaan daar een keer twee, drie nieuwe koeibanden pakken en die gote toebinden en subiet (onmiddellijk) d’ulle opheffen op twee, drie plekken”! Al met een keer, d’ure was daar en ’t begoste. Hadden ze niet rap geweest van die koeibanden af te snijden, ze peisden dat heel ’t gebouw ging scheuren. ’t Kwam zoverre dat, bij dat ze zij de lucht aanstaken of niet, dat buiste van ten elven tot ’s nuchtens ten tweên, ten drien. Eh ja, ’t waren daar domestieken en die domestieken ten langen lest gingen voort, maar mijn vader en zijn schoonbroere, zij bleven daar. Een beetje later, ’t gongen toen vele gasten van Houthulst rond met pottebezems en ze vroegen om daar te meugen slapen. "Ja’g”, zegt de boer, "hier in de scheure. Maar ja”, zegt hij, "komt hier in de perstalzolder (zolder boven paardestal), in ’t hooi ’t gaat daar vele warmer zijn”. En al met een keer, als het alzo ’s nachts rond den twaalven is, die mensen gingen voort. "Oh, maar boer, waarom heb je dat niet gezegd”, zeggen ze, "wij kunnen niet slapen, me zijn altijd van den enen kant naar den anderen gesmeten”, zeggen ze, "en van wat, me weten het niet”! Dat heeft nooit uitgekomen. Ten langen leste gingen ze naar de paters. Z’hebben overal geweest en nooit geen avance. ’t Kwam zoverre dat ze allemale weggongen, uitgenomen mijn vader en zijn schoonbroere. En ’t heeft toen een keer geweest op een nuchten, ze gingen naar de koeistal en ’t waren al lelijke beesten die daar stonden en met de slag dat ze daar binnenkwamen, ’t waren weer allemale koeien. Dat hebben ze gezien met ulder eigen ogen. Wat voor beesten dat ’t waren wisten ze niet, ze hadden dat nog nooit gezien! Als ’t al te erg wierd, z’hebben toen were naar de paters gegaan. De paters hebben gekomen. De boerinne was een vrouwmens die aan belofte gedaan had, zeggen ze, en die ze niet hadde kunnen volendigen. ’t Hebben toen zovele paters gekomen van d’ouderdom van heur jaren, ziet, en ’t hebben daar alleszins in de dertig paters gekomen en sindsdien ’t heeft weggebleven. Ze hebben toen in ’t perstal, als je ingong rechts, een Onze_Lieve-Vrouw-kapelletje gezet. Dat is waar gebeurd. Me vader heeft dat meegemaakt juist lijk of dat ik dat verteld heb.

Onderwerp

SINSAG 0478 - Andere Erlebnisse; unbeschreibbare Spukerscheinungen.    SINSAG 0478 - Andere Erlebnisse; unbeschreibbare Spukerscheinungen.   

SINSAG 0402 - Die versäumte Wallfahrt (Messe, Gabe)    SINSAG 0402 - Die versäumte Wallfahrt (Messe, Gabe)   

Beschrijving

Op een boerderij werkte een meid die eenvoudig van geest was. Op een nacht sprong de meid uit haar bed en riep dat de boerderij in brand stond. Ze beweerde dat ze door de vlammen heen naar de deur van haar kamer had moeten lopen. De andere bewoners stonden op, maar van het vuur was niets te zien. Twee weken later gebeurde hetzelfde opnieuw.
De boer en zijn schoonbroer sliepen in het bed boven de paardenstal. Naast dat bed was een goot langswaar het water uit de pomp naar de drinkbak van de koeien sijpelde. Op een nacht begon de plank waarop de twee mannen lagen, om klokslag elf uur lawaai te maken, zodat de pakjes die erop lagen, op de grond vielen. Toen de mannen een lantaarn aanstaken, hield het geluid plots op en lagen de pakjes weer op de plank. In de overtuiging dat mensen uit de buurt het op hen hadden gemunt, sprak de boer: "Wanneer die mensen morgenavond langskomen, zullen we hommelpersen (1) bij de wallen zetten. We gaan dan ieder aan één kant staan, zodat we de indringers kunnen slaan tot ze in het water springen". De volgende avond stonden de twee mannen om elf uur klaar bij de wallen. Ook deze nacht maakte de plank lawaai, maar vreemd genoeg was er in de buurt van de boerderij geen mens te bespeuren. Omdat de spookgeluiden iedere nacht terugkeerden, besloot de boer eens met een speciale stok in de goot in de paardenstal te voelen. Toen de boer dat deed, werd zijn stok door een vreemde kracht weggetrokken. Hij heeft de stok nooit meer gezien.
Daarna besloot de boer enkele banden rond de goot te binden, zodat er niets doorheen kon. Om elf uur zouden ze dan opeens die banden losmaken. Als de mannen die nacht de banden niet tijdig hadden losgesneden, zouden de muren gescheurd zijn, zo leek het.
Uiteindelijk werd het zelfs zo erg dat de spookgeluiden te horen waren tot twee of drie uur 's nachts. Veel knechten en meiden namen ontslag, maar de boer en zijn schoonbroer bleven op de boerderij.
Op een dag kwamen enkele mannen die leurden met bezems, bij de boer onderdak vragen. De boer liet de mannen in het hooi in de paardenstal slapen. Om middernacht vertrokken de leurders met de woorden: "Maar boer, waarom heb je ons daar niets over gezegd? We worden de hele tijd van de ene kant naar de andere gegooid en we weten niet hoe dat komt!"
De boer had al alles geprobeerd en hij was zelfs bij de paters te rade geweest, maar niemand leek hem te kunnen helpen. Uiteindelijk waren hij en zijn schoonbroer nog de enige mensen die op de boerderij durfden te blijven.
Toen de boer en zijn schoonbroer op een ochtend binnenkwamen in de koeienstal, zagen ze in de plaats van koeien allemaal vreemde beesten staan. Zodra het tweetal goed en wel binnen was, werden de dieren weer normaal.
Na een tijdje liet de boer de paters opnieuw komen. Eén van de paters beweerde dat de boerin ooit een belofte had gemaakt, die ze niet was nagekomen. Toen er al zeker dertig paters waren gekomen en men in de paardenstal een kapelletje voor Onze Lieve Vrouw had gezet, kwam er eindelijk een einde aan de spokerij.

Bron

K. Erard, Leuven, 1966

Commentaar

1.4 Luchtgeesten
west-vlaams (ieper)
24
fabulaat
(1) hommelpers: staak waar hopranken rond groeien

Naam Overig in Tekst

Onze Lieve Vrouw    Onze Lieve Vrouw   

Naam Locatie in Tekst

Sint-Jan    Sint-Jan