Hoofdtekst
Daar waren er eens een koppel die kerseerden bijeen. En toen ze een eindje thuis af waren, toen zei de jongen tegen het meisje: 'Zeg', zegt hij, 'hebt gij bang 's avonds?' 'Ja, bang? Ik ben nooit niet fel kloek geweest', zei ze. 'Maar ge moet toch niet ongerust zijn,' zei hij, 'als er iets kontrarie op u afkomt dan pakt ge uw moaslat en dat gooit ge maar op hem aan,' zei hij. Maar die kon zich veranderen in een weerwolf hè, zo heb ik maar horen vertellen, wor. En op zeker moment - als die mensen die kuur op hen krijgen dan moesten ze dat kunnen uitvoeren hè - en op zeker moment toen voelde ze iets. Toen was ze haar jongen kwijt, ze dacht: die is pipi doen ergens hè. Toen kwam daar op ene keer een grote beest op haar aan, een hond. En toen dacht ze: hoe, een hond en ze deed wat haar jongen gezegd had en ze pakt de moaslat hè en ze gooide. En de hond pakt de moaslat en hij vertrok. Achterna kwam de jongen terug, wor, terug bij haar. 'Sè', zei ze, 'ge zegde daarstraks toen ge weggingt' zei ze, 'als daar iets kontrarie op u afkomt, gooie met mijn moaslat. Nu kwam daarjuist een hond op mij af, wat waart gij doen geweest?' Ja, toen zei de jongen dat hij pipi was gaan doen. 'Toen kwam daar een hond op mij af', zei ze, 'en ik gooide mijn moaslat en hij pakte de moaslat en hij was weg', zei ze. Ja, dat was goed en meer kal kwam daar niet meer van hè, ze gingen door. Toen kwamen ze 's avonds terug bij haar thuis en toen in een keer waren ze met mekaar aan 't fletsen. Toen had hij de moaslat in zijn tanden hangen, de stukken.
Onderwerp
SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.   
Beschrijving
Een jongen die 's avonds met zijn vriendin ging wandelen, sprak tot het meisje: "Ik moet even weg. Mocht er een beest op je af komen, gooi dan je zakdoek naar zijn muil". Toen de jongen weg was, verscheen er inderdaad een hond. Het meisje gooide de zakdoek naar de muil van het dier, zoals haar was aangeraden. Toen ze die avond thuiskwamen, zag het meisje dat haar vriend de vezels van de zakdoek nog tussen zijn tanden had.
Bron
W. Achten, Leuven, 1971
Commentaar
1.6 Weerwolven
midden-limburgs
o''
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Diepenbeek   
