Hoofdtekst
I En vertelden ze ook nooit van … Wat sommige ‘läöi’ ook nog wel vertellen is van als ze een zwarte kat zagen.33 Ach ja. Ja, dat weet ik ook, ja. Een zwarte kat: oioioi, daar hadden ze bang voor! Als een ronddwaalde: "Pas op, die zwarte kat! Plaag die maar niet! Trap die maar niet op haar staart!" En dit en dat. "Dan komt ze je na en dan kretst ze je en dan ben je verdoemd!" Het was altijd van verdoemen en van dat allemaal. Dat is waar, hoor! Ze dachten aan sterven en zo. Tegen nu, is dat minder, zal ik zeggen.I Maar ze zeiden niet dat dat een heks was?33 Nee.I Het was de duivel?33 Dat heb ik nooit gehoord van heksen en zo. Als je dat nu hoort, dat die op de brandstapel gedinge werden, de heksen: daar heb ik nooit van gehoord. Ik heb daar boeken van gelezen en alles, dat wel. Maar ik heb daar anders nooit niet van gehoord.I Dat waren zo vertelselkes, hé. Veel ‘läöi’ van Zussen die kennen dat nog. Die vertellen dan zo van dat bij ‘Roosbùrch’, dat vertelden ze dan, dat noemden ze de ‘Ummeser Hùgskes’, die haag wat daar stond.33 Oh, ja. Ja?!I En dan … bijna iedereen van Zussen waarmee ik heb ‘gekald’ (= gepraat), die vertelde hetzelfde. Er waren dus een deel heksen en die maken zich dus ‘vjadeg’ (= klaar). En die gaan dan met hun bezemsteel of wat dan ook - hun ‘bèssem’ - naar ‘Roosbùrch’ met Lichtmis. En daar gaan ze dansen. En vroeger werd ook altijd gezegd in Zussen tegen de vrouwen, de avond voor Lichtmis: "Ja, gaan jullie maar dansen op Roosburg. Wij gaan een pint drinken."33 Wat dunkt je! Dat heb ik nooit gehoord.I Nooit gehoord?33 Nee. Nee, nooit gehoord.I Zo van die dingen. Niet zo echt van brandstapels, maar meer zo van … dat volksgeloof.33 Dat heb ik nooit gehoord. Nee. Maar de ‘Roosbùrch’ ook, daar mochten we ook niet alleen heen gaan, omdat het zo eenzaam was, die grotten daarin en zo.I Daar vertelden ze verhaalkes rond van: "Daar zit iemand" of "Daar zit iets?"33 Nee. Nee. … (= onverstaanbaar-C) Van dat. Maar heksen … Hoe komt dat?I Bij veel ‘läöi’ hoor ik dat. Sommigen kunnen daar heel veel van vertellen en die hadden een heel grote familie waar de grootouders inwoonden en daar werd verteld en …33 Maar ik had geen grootouders ‘nemé’, hé. M’n grotepa was gestorven … (= onverstaanbaar-C) Maar ene keer per trimester ‘jòues’ (= naar huis), hé.I Dat is zoals mama vroeger, ja. Dat heb ik ook gehoord.33 Ja. Dat was van twaalf tot achttien, hé, was ik in Borgloon, hé.
Beschrijving
Wie door een zwarte kat op de staart werd getrapt, werd door de kat achtervolgd en was verdoemd.
Bron
H. Schoefs, Leuven, 1996
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
limburgs (groot-riemst)
33G 464
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Zichen-Zussen-Bolder   
