Hoofdtekst
Mee ons koeien hadden w’ook altijd misere: de koeien verschieten, niet vol krijgen; en ze gingen ne keer om paster Cambier, en hij kwamp mee; en ik alleen mocht meegaan in de stal. En de paster was aan ’t lezen dat ’t zwet van zijn voorhoofd in grote druppels afliep. En sedert dien was ’t ook gedaan. Dat en is nog zu lang niet leen.
Beschrijving
Op een boerderij had men veel ongeluk met de koeien, waardoor men de pastoor liet komen. De pastoor ging in de stal bidden tot hij helemaal bezweet was. Daarna had men op die boerderij geen ongeluk meer.
Bron
M. Van Der Linden, Leuven, 1964
Commentaar
2.1 Heksen
oost-vlaams (denderstreek)
663
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Steenhuize-Wijnhuize   
