Hoofdtekst
B: Ja. Ja, we zijn toen gevaren alzo met ons kind. Ja, ons kind was, ik woonde vlak d’ervoor. Ons kind kreeg altijd reke tegelkes (klontjes) suiker en gelijk wat. En dat kind was daar wel thuis, maar wij peinsdan daar niet op né. Né, ’t gaf altijd wat aan dat kind om t’eten. E wê ons kind kwam ziek né. En ’t was niemand die lijk wist wat dat dat kind had, dinge. ’t Trok ’t haar uit zijn hoofd. ’t Is dood gegaan né daarvan. En ’t kon niet dood né. ’t Was toen zeker dat we zijn moeten achter patertje Smet gaan van Ieper. En binst dat hij las né d’erover, né dinge, binst dat hij daar las over dat kind né, hij zweette zie, ’t waren eindelijke dingen hoe dat hij zweette. En dat kind was lijk ongedurig ook. ’t Moest lijk altijd pissen of ’t moest drinken hebben. En wij waren beschaamd lijk ‘k weet niet wat. Maar hij zei: "Doen jullie maar, doen jullie maar. Op mij moet je niet letten." Ja ons kind né. ’t Was op een zondagachternoen en ik was moederziel alleen. En ’t kwam al van achter ‘ingevlogen’ en ’t zegt: "Slina", zegt ze, "hoe is ’t met jullie kind?" En ja, ik zeg: "Ons kind is ziek." En ik stond daar in ’t midden van ’t huis en zij ging de voute op en ik kon niet achter. En zij was wat bij dat kind en zij keerde weer. "Ah, jullie kind, ’t is stijf ziek, ’t is stijf ziek", zei het né. En ‘k kon nog niet zeggen, ik kon lijk, nen ’t was… En als zij buiten was, ik kon toen gaan naar m’n kind.X: En wie was dat?B: Ah, Likse, Likse, Likse. Ik ga, ja, er woont hier nog familie né. Likse, Likse, ja, er gaan d’er wel veel zijn die ’t gaan weten wie né. Ja, lijk van Amelietje Pattyn, er woont hier niemand meer né. Er woont hier nog familie en dat gaat lijk niet wel ene. E wê ja, ons kind is toen, ’t is toen binst de week de donderdag gestorven. Achter dat we ’t patertje gehaald hebben nog erbij né. Anderszins ‘k weet niet. En moeder Lize, mijn moeder zei: "Dat kind kan niet dood." ’t Trok ’t haar uit zijn hoofd, ’t kon lijk niet dood. ’t Was lijk bezeten. En achter dat né, wij hebben toen achter dat, wij hebben toen nog een gekocht. We hebben toen Germain gekocht. Maar we woonden hier al.A: We woonden hier toen al.B: En ik was een keer langs de straat met de voiture (kinderkoets) né en ‘k kwam ze tegen en zegt ze: "Slina, is dat jullie kindje?" En ik sprak niet en ik keek niet om en ‘k ging altijd voort. En ze is nooit meer gekomen wê. Zolang of dat we daar gewoond hebben is zij nooit meer gekomen.X: Maar heb je daar niet verteld dat je wat gekregen had? Van de paters of de pater?B: Ah ja. Van de pastoor. De pastoor is toen gekomen van Beselare. Wat een pastoor was dat toen?A: Kindt. ‘k Tink me (me dunkt) dat ’t Kindt was.B: Pastoor Kindt. Ik niet, maar Theo’s moeder is toen naar de pastoor gegaan om, en de pastoor kwam vaneigen ook dikwijls, en dat gezeid. En hij heeft toen daar gewijd aan de deur gehangen né. Ik heb het nog wê, ik heb ’t nog dat gewijd. Ze is nooit meer in huis gekomen. Zij is nooit meer in huis gekomen. Ze is nooit meer in huis gekomen.X: Maar wat was dat lijk gewijd?B: Dat was een hartje en er zat daar gewijd in. Dat was lijk een hartje in leer. Ik heb het nog wê, maar ‘k zou ’t moeten zoeken.X: Maar als je zegt hoe dat ’t eruit ziet, ’t is goed.B: Een hartje zie je ’t in leer.A: Overnaaid met leer alzo.B: En er zat daar gewijd in. Als je daar op duwde, er zat daar wat in, zie je’t, gewijd. En zegt hij: "Hangt gij dat maar", zegt hij, "aan je voordeur", zegt hij, "en dat is voldoende." Ze is nooit meer ingekomen. En ‘k had dat gehad van de pastoor, door zijn moeder né. Ik ging dat anderszins nog niet gepeinsd hebben né. "Ik ga een keer naar de pastoor gaan", zei ze. Ze is nooit meer in huis gekomen. Zij heeft nooit meer hier of daar of ginder. Nu, ons kind was toen dood en begraven né, intussentijd. E wê, dat was altijd reke ’t een achter ’t ander zolang of dat we daar gewoond hebben. Dat was ook een toveres dat wê. ’t Was ook een toveres, ge moogt het zeker zijn. Ja, dat was lijk, gauw, dat was lijk al né… en we zijn toen voortgegaan. Nu ‘k wilde daar lijk niet meer wonen, ons kind was dood en weg en… ‘k Wilde die lelijke geit daar ook niet meer zien voor mijn deur daar. Zij woonde toen daar nog né. Maar dinge, dat was ook, dat was daar, maar dat was ook een toveres wê.
Onderwerp
SINSAG 0580 - Andere Hexenkünste   
Beschrijving
Een kind kreeg altijd snoepgoed van een vrouw. Een tijdje later werd het kind ziek. Niemand wist wat er met het kind aan de hand was. Het trok zichzelf de haren uit het hoofd en het kon niet sterven. Uiteindelijk heeft men het kind laten overlezen door een pater van Ieper. De pater zweette verschrikkelijk terwijl hij het kind overlas. Op een zondagmiddag kreeg de moeder bezoek van een vrouw uit de buurt, die kwam kijken hoe het met het kind ging. "Jullie kind is erg ziek", zei de vrouw. De volgende donderdag is het kind gestorven. Die vrouw is daarna nooit meer op bezoek geweest. De moeder had namelijk van de pastoor een gewijd hartje gekregen, dat met leder was omhuld. Dat gewijd voorwerp moest ze bij de deur hangen. Daardoor kon de toveres niet meer binnen.
Bron
F. Ramon, Leuven, 1975
Commentaar
2.1 Heksen
west-vlaams (ieper)
3
Moeder van de informant
fabulaat
Naam Overig in Tekst
pastoor Kindt
Kindt (pastoor)
Kindt (pastoor)
paters van Ieper   
Ieper (paters van)   
Naam Locatie in Tekst
Beselare   
Plaats van Handelen
Ieper   
