Hoofdtekst
Een schoenmaker die woonde alleen en die plaagde de weerwolf fel. Die gooide van alles aan de venster in, zodat hij niet kon werken. Die schoenmaker vocht dikwijls tegen de weerwolf met zijn priem. Maar naar 't schijnt kunt ge een weerwolf nergens kapotkrijgen als tussen zijn ogen. Met wijwater had hij de weerwolf besprenkeld en toen liet hij een schreeuw uit en een slag in de deur en 's anderendaags stonden de hoefijzers van een paard in de deur geprent.
Beschrijving
Een schoenmaker die voortdurend werd geplaagd door de weerwolf, had al vaak geprobeerd om het beest met een priem te steken. Een weerwolf kon men echter alleen verwonden tussen de ogen. Toen de schoenmaker de weerwolf op een dag met wijwater besprenkelde, schreeuwde het beest luid. De volgende dag stond er een afdruk van een paardenpoot in de deur.
Bron
W. Achten, Leuven, 1971
Commentaar
1.6 Weerwolven
midden-limburgs
f'''
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Diepenbeek   
