Hoofdtekst
Da was bij Vercoutere en ’t was daar ne joengen die doodgoeng. Maar je koste lijk niet doodgaan. En d’honden huilden en z’hèn hem moeten doodlezen. En ’t kwam daar alten een vrouwmens met n’een mantel. En m’n metje wachtte thuis en o dien joengen omtrent begraven wierd, ton amenekeer was t’er een wreed geruchte in huis en al de deuren sloegen en ton zage ‘k, zei het, dat er entwadde mee gemoeid was. En ‘k gelove dadde, omdat da van m’n metje kwam.
Onderwerp
SINSAG 0580 - Andere Hexenkünste   
Beschrijving
Een jongen die niet kon sterven, kreeg altijd bezoek van een vrouw met een mantel. Uiteindelijk heeft men de jongen moeten doodbidden. Toen de jongen begraven werd, was er een hels lawaai in het huis te horen. De deuren sloegen dicht.
Bron
P. Vandewalle, Leuven, 1968
Commentaar
2.1 Heksen
west-vlaams (o van houtland)
301
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Schuiferskapelle   
