Hoofdtekst
In den Hellebus zat er olle noavende een doeodkeerse. Er gienk ne keer een bende joenkheden ernnoa kieken. Ze woenken ernoa. Die keerse kwam zoeo zeere noadre, da ze wegvluchtten in een hus. Het gaf nen bus ip de deure; ’s nuchtends stoend er een heel hand in verbrand.
Beschrijving
Bij de Hellebus zat iedere avond een doodkaars. Enkele jongens gingen naar het lichtje kijken en wenkten ernaar. Daarop kwam de doodkaars dichterbij, waarna de jongens in een huis wegvluchtten. Vervolgens hoorde men een luide bons op de deur. De volgende ochtend stond er een hand in de deur gebrand.
Bron
R. Callens, Leuven, 1968
Commentaar
1.3 Vuurgeesten
west-vlaams (tielt en izegem)
25
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Meulebeke   
Plaats van Handelen
Hellebus (Meulebeke?)   
