Hoofdtekst
Mijn vriendinne die beneen woonde, haar Ma waste en strijkte witte tuiten (mutsjes) en ik gingen mee met haar die tuiten rond gaan dragen, en ze zegt tegen me: Jeanne, zegt ze, gauw, ga je mee met me naar Miete Delanghe en ‘k zeggen ik : ja ik. Ze woonde zij in dat zelfde huis waar dat me zeune (zoon) woont op de visserskaai. Kommen ik mee op die trappen met haar en al die kaarsen waren bezeig met branden en de deuren stonden open. En iedereen had benauwd van haar want z’had zij boeken en ze koste (kon) toveren. Maar m’n vent z’n zuster sliep bij haar, ’t was nog een jong meisje he, en ze deed nooit niks aan haar. Maar z’heeft zoveel andere mensen verwenst en kwaad gedaan. Ze had zij boeken he. - En ik van al die trappen - ‘k waren zere (vlug) weg wèje (hoor).
Beschrijving
In Oostende woonde een vrouw die toverboeken bezat. Iedereen was bang voor die vrouw omdat ze al zoveel mensen had verwenst.
Bron
J. Aspeslagh, Leuven, 1958
Commentaar
2.3 Toverboeken
west-vlaams (kamerlingsambacht)
277
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Oostende   
Plaats van Handelen
Oostende   
