Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

MDREE0470_0471_2925 - Koejongen spreekt altijd verkeerd

Een sage (mondeling), 1967

Hoofdtekst

Ene boer had ene koejong(en), en he sjigde (= zond) die jong(en) noa de molen met drie vaat (= vat= ongeveer 20 kilo) koren, en he zei hem: 'de moes (= ge moet) zeggen: ieder vaat de molster (= loon van de molenaar), ieder vaat de molster. Voor het goed te onthouden moeste het maar den helen tijd zeggen' zeiter. 'Ieder vaat de molster, ider vaat de molster...'Toen kwamter aan een schuur bo ze aan ''t dassen (= dorsen) waren met de vleugel, hein! en die jong(en) die zei: 'Van ieder vaat de molster, van ieder vaat de molster...' - 'Fooi! kwajong! zeien ze, zo moeste nie zeggen! de moes zeggen: nog doezend keren mee(r)!' - 'Nog doezend keren mee(r), zei de jong(en), nog doezend keren mee(r)...'Weiter (= toen hij) in 't veld kwam, kwamter langs ene scheper door, en doa had de wolef zjus e schaap gepak(t), en die jong(en) die zei maar: 'nog doezend keren mee(r), nog doezend keren mee(r)!...'- 'Fooi! kwajong! zeiter, zo moeste nie zeggen! zeiter, de moes zeggen: dat er eweg loop(t), dat er eweg loop(t)! dat er eweg loop(t)!'Toen gingter wij(d)er, en hij kwam ko(r)t bij e lijk door, bo ze ene begraven gingen, en zjus wei de jong(en) neven hem komt zeiter: 'at er eweg loop(t), at er eweg loop(t)!' Toen zegden die: 'Fooi! kwajong! zo moeste nie zeggen! de moes zeggen: God troos(t) zijn ziel! God troos(t) zijn ziel!'En toen gingter doa wij(d)er, en toen was doa ene slachter enen os aan 't slachten, en de jong(en) die zei: 'God troos(t) zijn ziel! God troos(t) zijn ziel!' - 'Zo moeste nie zeggen jong! zeiter, de moes zeggen: Fooi de bees(t)! Fooi de bees(t)!'Die jong(en) al maar weer wij(d)er ; toen kwamter neven ene bruilof(t) door, bo ene ging trouwen. Toen zei de jong(en): 'Fooi de bees(t), Fooi de bees(t)!'-Toen zegden die op hem, hein! 'zo moeste nie zeggen, zegden ze, de moes zeggen, zeiter: dat ze allemaal zo doen! dat ze allemaal zo doen!De jong(en) ging wij(d)er, doa was een huis aan 't bjanne: 'dat ze allemaal zo doen! zei de jong(en), dat ze allemaal zo doen!'- 'Zo moeste nie zeggen, zeiter, de moes zeggen: da't uitgaat! da't uitgaat!'Toen ging de jong(en) weer wij(d)er en toen kwamter aan een smis (= smidse) door, en die smeed (= smid), die had al drie daag aan zijne bleuzer gehangen (= aan zijn blaasbalg getrokken), en he kon gee(n) vuur krijgen, en de jong(en), die zei: da't uitgaat! da't uitgaat!' zei de jong(en). De smeed komt uitgelopen met zijne voorhamer en he houwt de jong(en) dood, en de zaog (= sage) was uit.

Beschrijving

Een boer zond zijn koejongen met zestig kilo koren naar de molenaar en zei: "Je moet de molenaar vooraf zeggen wat hij verdient. Zeg maar de hele tijd: 'van ieder vat een deel, van ieder vat een deel', opdat hij het niet zou vergeten'". Onderweg zag de koejongen enkele mannen die het graan aan het dorsen waren, en hij zei: "Van ieder vat een deel, van ieder vat een deel!" Daarop antwoordden de mannen geïrriteerd: "Foei, kwajongen, dat mag je niet zeggen! Je moet zeggen: 'Nog duizend keer meer, nog duizend keer meer!'" Wat verderop kwam de jongen voorbij een schaapherder, die net had gezien hoe een wolf één van zijn schapen had gepakt. De koejongen sprak: "Nog duizend keer meer, nog duizend keer meer!" De schaapherder antwoordde boos: "Foei, kwajongen, dat mag je niet zeggen! Je moet zeggen: 'Dat hij maar wegloopt, dat hij maar wegloopt!'" Vervolgens wandelde de jongen voorbij een grafdelver, die een lijk ging begraven. De jongen zei: "Dat hij maar wegloopt, dat hij maar wegloopt!" Daarop sprak de grafdelver: "Foei, kwajongen, dat mag je niet zeggen! Je moet zeggen: 'Moge God zijn ziel troosten, moge God zijn ziel troosten!" Daarna kwam de koejongen een slachter tegen, die een os aan het slachten was. De koejongen sprak: "Moge God zijn ziel troosten, moge God zijn ziel troosten!" Daarop antwoordde de slachter grijnzend: "Dat moet je niet zeggen, jongen. Zeg maar: 'Foei dat beest, foei dat beest!'" Toen de jongen verderwandelde, kwam hij voorbij een bruidspaar, en hij zei: "Foei dat beest, foei dat beest!" Het geschokte paar reageerde boos en zei: "Neen, dat moet je niet zeggen. Zeg maar: 'Moge iedereen hetzelfde doen, moge iedereen hetzelfde doen!'" Wat verderop kwam de jongen voorbij een brandend huis en riep: "Moge iedereen hetzelfde doen, moge iedereen hetzelfde doen!" De mensen zeiden echter: "Neen, jongen, je moet zeggen: 'Moge het vuur doven, moge het vuur doven!'" De jongen liep verder, tot hij bij een smid kwam, die al drie dagen tevergeefs had geprobeerd om met zijn blaasbalg vuur te maken. De koejongen riep: "Moge het uitgaan, moge het uitgaan!" Daarop kwam de smid woedend aangelopen en sloeg de jongen met zijn hamer dood.

Bron

M. Dreezen, Leuven, 1967

Commentaar

6. Sagen - Sprookjes
limburgs (tongeren en omstreken)
1174
fabulaat
Cfr. AT, Type 1696, "What should I have said (done)?"

Naam Locatie in Tekst

Millen    Millen