Hoofdtekst
’t Waren vroeger vele van die heksen. En ‘k heb ik nog gehoord van een paster die ze koste herkennen. As de paster ’t teken van ’t heilig kruis gaf, je (hij) zag al die heksen schone zitten. Ze zaten al met under (hun) rik (rug) naar den autaar. En ao wisten wien dat dat was op de prochie (parochie). De paster allene zag dat he, d’andere mensen niet wè. En dat is sinsten (sinds) dat ze ’t Sint-Jans-evangelie gevonden hebben.
Beschrijving
Sinds het Sint-Jansevangelie, konden geestelijken heksen makkelijk herkennen. Als de pastoor een kruisteken maakte, dan zag hij alle heksen in de kerk met hun rug naar het altaar zitten. De andere mensen konden dat niet zien.
Bron
J. Aspeslagh, Leuven, 1958
Commentaar
2.1 Heksen
west-vlaams (kamerlingsambacht)
214
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Sint-Jansevangelie   
Naam Locatie in Tekst
Stene   
