Hoofdtekst
Klein Duimpje
Moeder en vader die woonden kort aan een groot bos en die hadden zeven kinderen. En 't kleinste dat was zo'n klein ventje gebleven dat ze daar allemaal Klein Duimje tegen zegden.Maar nu, op een keer, waren ze buiten aan 't spelen. En toen moesten ze binnen komen en ze moesten gaan slapen. Maar Klein Duimpje was nog niet weg, en toen hoorde hij vader en moeder zeggen: "Wat moeten we nu gaan doen? We hebben niks te eten meer! En dan morgen vroeg, en zo zeven kinderen, en geen eten meer!" "Wel," zei de moeder - zei de vader, "ik zal ze mee naar 't bos nemen. En dan, als ze in 't bos aan 't spelen zijn en aan 't doen, dan zal ik stillekes weggaan, en dan zitten ze in 't bos en dan vinden ze ons huis toch niet meer." Maar Klein Duimpje, die was nog niet gaan slapen hé, die zat daar ergens en die had dat gehoord.En 's morgens moesten ze opstaan en ze kregen nog allemaal een boterham en die stak - nee. Die ging buiten, door 't mozegat kroop die buiten en ging allemaal steentjes oprapen, witte steentjes. De maan scheen, hij zag die goed liggen, zodat hij zijn zakken vol witte steentjes had.En 's anderendaags morgens dan gingen ze met die vader naar 't bos. En hij liet overal zo van die steentjes vallen hé. En dan in 't bos gespeeld en, en zo wat gelopen en zo van alles hé. Enne, door den duur werd het al avond, en donker hé. En dan zegden ze: "Waar is ons vader nu?" Ze konden die nergens meer vinden.Ja maar zei Klein Duimpje, ik weet de weg. En overal waar die steentjes lagen, ging die, en zo kwamen ze thuis.En die vader en die moeder verschoten daarvan hé, dat die daar aankwamen hé. Ze dachten dat die in 't bos verloren gelopen waren. En 's anderendaags morgens - 's avonds zei de vader: "Ik zal morgen teruggaan en 'k zal ze wat dieper in 't bos brengen." En Klein Duimpje had geen kans meer om buiten te gaan.Maar dan stak die 's morgens die boterham in zijn tas. En onderweg liet hij zo overal een kruimeltje brood vallen. Hij dacht: "Dan vind ik het toch." Maar als ze 's avonds moesten terugkomen vonden ze die niet meer hé. De vogeltjes hadden die allemaal opgepikt hé. En zo wisten ze niet meer waar ze moesten gaan.Maar Klein Duimpje zei: "Ik zal eens in een boom kruipen, en zien waar er ergens licht brandt." En in de top van een boom hé, en daar zag hij dan toch licht branden ergens in een huis. En nu gingen ze daar heen.En ze klopten op de deur en die moeder kwam open doen en zei-nu vroegen ze of ze daar niet binnen mochten, want dat ze hun weg verloren hadden. "Nee," zei die moeder eerst, "want hier woont een reus. En als die jullie ziet - vindt, dan eet die jullie op." "Jamaar, waar moeten we dan heen gaan?" zeggen ze. "Laat ons toch maar binnen en we zullen morgen vroeg hier vroeg vertrekken dat ge er geen last van hebt." "Ja," zei de moeder, "allé." En dan gingen ze in een bed hé, en daar konden ze juist alle zeven in. Maar die had zelf ook zeven kinderen hé. En die droegen altijd mutskes als ze sliepen. En nu vonden ze niet beter dan die mutskes zelf op te zetten hé, en nu lagen die kinderen zo in bed hé.Maar 's nachts kwam er een gebulder en lawaai omhoog en hoorden ze de reus thuis komen hé. En die ruikt en hij zegt: "Ik ruik mensenvlees!" En toen ging hij overal zoeken, en in die slaapkamer -want één slaapkamer- zag hij dan die kindekes -die zeven broerkes liggen met allemaal een mutske op hé. En hij dacht dat dat de zijne waren, en toen ging hij voort op zoek hé. En toen vond hij zijn kinderen hé, en hij at ze allemaal op. Want dat was allemaal iets van niks hé.Maar toen, Klein Duimpje werd wakker hé, en als de reus dan weg was, die sprong uit bed en maakte de anderen allemaal wakker. "Allemaal wakker," zei hij, "we moeten maken dat we hier weg zijn, want de reus is thuis."Maar dat Klein Duimpje had dan toch de kans nog gehad om laarzen mee te nemen hé, zevenmijlslaarzen hé. En zo kon hij goed gaan hé, want 't was maar een klein ventje hé. En zo waren ze dan op weg naar huis. En onderweg legde Klein Duimpje aanhoudend zijn oor tegen de grond, om te horen dat daar niks kwam zo hé, want als zo'n reus gaat, dan buldert dat zo hé. En door den duur zei hij: "Ja, de reus is op komst." Toen kropen z' allemaal weg in een boom of achter struiken, omdat hij hun niet zou zien hé. En als die dan weg was, ja dan gingen ze weer voort. En omdat Klein Duimpje die zevenmijlslaarzen aan had, vorderde dat nogal goed totdat ze thuis kwamen.En ja, dan verschoten die ouders daar weer van, dat die kinderen daar weer waren hé, en niks gekort hé. Maar dan zei Klein Duimpje: "Moeder, 'k zal ik wel gaan werken." En toen ging hij bij een bakker vragen om brood rond te dragen. En met zijn zevenmijlslaarzen kon hij dan ver stappen zo hé. En dan droeg hij de broden, en dan 's avonds, dan kreeg hij een paar broden om mee naar huis te nemen, en toen hadden ze eten hé. En zo, en als ze nog niet opgehouden zijn met brood rond te dragen, dan is het nog, of zoiets zei ik dan hé.
Moeder en vader die woonden kort aan een groot bos en die hadden zeven kinderen. En 't kleinste dat was zo'n klein ventje gebleven dat ze daar allemaal Klein Duimje tegen zegden.Maar nu, op een keer, waren ze buiten aan 't spelen. En toen moesten ze binnen komen en ze moesten gaan slapen. Maar Klein Duimpje was nog niet weg, en toen hoorde hij vader en moeder zeggen: "Wat moeten we nu gaan doen? We hebben niks te eten meer! En dan morgen vroeg, en zo zeven kinderen, en geen eten meer!" "Wel," zei de moeder - zei de vader, "ik zal ze mee naar 't bos nemen. En dan, als ze in 't bos aan 't spelen zijn en aan 't doen, dan zal ik stillekes weggaan, en dan zitten ze in 't bos en dan vinden ze ons huis toch niet meer." Maar Klein Duimpje, die was nog niet gaan slapen hé, die zat daar ergens en die had dat gehoord.En 's morgens moesten ze opstaan en ze kregen nog allemaal een boterham en die stak - nee. Die ging buiten, door 't mozegat kroop die buiten en ging allemaal steentjes oprapen, witte steentjes. De maan scheen, hij zag die goed liggen, zodat hij zijn zakken vol witte steentjes had.En 's anderendaags morgens dan gingen ze met die vader naar 't bos. En hij liet overal zo van die steentjes vallen hé. En dan in 't bos gespeeld en, en zo wat gelopen en zo van alles hé. Enne, door den duur werd het al avond, en donker hé. En dan zegden ze: "Waar is ons vader nu?" Ze konden die nergens meer vinden.Ja maar zei Klein Duimpje, ik weet de weg. En overal waar die steentjes lagen, ging die, en zo kwamen ze thuis.En die vader en die moeder verschoten daarvan hé, dat die daar aankwamen hé. Ze dachten dat die in 't bos verloren gelopen waren. En 's anderendaags morgens - 's avonds zei de vader: "Ik zal morgen teruggaan en 'k zal ze wat dieper in 't bos brengen." En Klein Duimpje had geen kans meer om buiten te gaan.Maar dan stak die 's morgens die boterham in zijn tas. En onderweg liet hij zo overal een kruimeltje brood vallen. Hij dacht: "Dan vind ik het toch." Maar als ze 's avonds moesten terugkomen vonden ze die niet meer hé. De vogeltjes hadden die allemaal opgepikt hé. En zo wisten ze niet meer waar ze moesten gaan.Maar Klein Duimpje zei: "Ik zal eens in een boom kruipen, en zien waar er ergens licht brandt." En in de top van een boom hé, en daar zag hij dan toch licht branden ergens in een huis. En nu gingen ze daar heen.En ze klopten op de deur en die moeder kwam open doen en zei-nu vroegen ze of ze daar niet binnen mochten, want dat ze hun weg verloren hadden. "Nee," zei die moeder eerst, "want hier woont een reus. En als die jullie ziet - vindt, dan eet die jullie op." "Jamaar, waar moeten we dan heen gaan?" zeggen ze. "Laat ons toch maar binnen en we zullen morgen vroeg hier vroeg vertrekken dat ge er geen last van hebt." "Ja," zei de moeder, "allé." En dan gingen ze in een bed hé, en daar konden ze juist alle zeven in. Maar die had zelf ook zeven kinderen hé. En die droegen altijd mutskes als ze sliepen. En nu vonden ze niet beter dan die mutskes zelf op te zetten hé, en nu lagen die kinderen zo in bed hé.Maar 's nachts kwam er een gebulder en lawaai omhoog en hoorden ze de reus thuis komen hé. En die ruikt en hij zegt: "Ik ruik mensenvlees!" En toen ging hij overal zoeken, en in die slaapkamer -want één slaapkamer- zag hij dan die kindekes -die zeven broerkes liggen met allemaal een mutske op hé. En hij dacht dat dat de zijne waren, en toen ging hij voort op zoek hé. En toen vond hij zijn kinderen hé, en hij at ze allemaal op. Want dat was allemaal iets van niks hé.Maar toen, Klein Duimpje werd wakker hé, en als de reus dan weg was, die sprong uit bed en maakte de anderen allemaal wakker. "Allemaal wakker," zei hij, "we moeten maken dat we hier weg zijn, want de reus is thuis."Maar dat Klein Duimpje had dan toch de kans nog gehad om laarzen mee te nemen hé, zevenmijlslaarzen hé. En zo kon hij goed gaan hé, want 't was maar een klein ventje hé. En zo waren ze dan op weg naar huis. En onderweg legde Klein Duimpje aanhoudend zijn oor tegen de grond, om te horen dat daar niks kwam zo hé, want als zo'n reus gaat, dan buldert dat zo hé. En door den duur zei hij: "Ja, de reus is op komst." Toen kropen z' allemaal weg in een boom of achter struiken, omdat hij hun niet zou zien hé. En als die dan weg was, ja dan gingen ze weer voort. En omdat Klein Duimpje die zevenmijlslaarzen aan had, vorderde dat nogal goed totdat ze thuis kwamen.En ja, dan verschoten die ouders daar weer van, dat die kinderen daar weer waren hé, en niks gekort hé. Maar dan zei Klein Duimpje: "Moeder, 'k zal ik wel gaan werken." En toen ging hij bij een bakker vragen om brood rond te dragen. En met zijn zevenmijlslaarzen kon hij dan ver stappen zo hé. En dan droeg hij de broden, en dan 's avonds, dan kreeg hij een paar broden om mee naar huis te nemen, en toen hadden ze eten hé. En zo, en als ze nog niet opgehouden zijn met brood rond te dragen, dan is het nog, of zoiets zei ik dan hé.
Onderwerp
ATU 0327B - The Brothers and the Ogre   
AT 0327B - The Dwarf and the Giant   
Beschrijving
Een man en een vrouw woonden met zeven kinderen in een groot bos. Eén van de zoontjes was zo klein dat men hem Klein Duimpje noemde. Op een dag hoorde Klein Duimpje hoe zijn ouders het plan beraamden om de zeven kinderen in het bos achter te laten omdat ze niet genoeg eten hadden om hen te voeden. De volgende ochtend stak Klein Duimpje zijn zakken vol witte steentjes, waarvan hij er onderweg telkens één liet vallen. Zo vonden Klein Duimpje en de andere kinderen hun huis makkelijk terug. De volgende ochtend waagden de ouders een nieuwe poging. Deze keer liet Klein Duimpje overal broodkruimels vallen, maar zijn plan mislukte omdat de vogels de kruimels opaten. Klein Duimpje kroop in een boom en zag een huisje waar licht brandde. De kinderen gingen erheen en klopten aan. "Jullie mogen hier niet blijven, want hier woont een reus. Als hij jullie vindt, eet hij jullie op", zei de vrouw die daar woonde. De kinderen drongen echter aan en bleven er toch slapen. De vrouw des huizes had zelf ook zeven kinderen, die altijd mutsjes droeg wanneer ze sliepen. Klein Duimpje en de anderen zetten de mutsjes die nacht zelf op hun hoofd. 's Nachts hoorden ze gebulder, wanneer de reus thuiskwam en riep: "Ik ruik mensenvlees!" De reus liep rond, zag zeven kinderen met mutsjes en veronderstelde dat dat zijn eigen kinderen waren. Hij keek verder en at de zeven kinderen die geen mutsjes droegen, op. Toen Klein Duimpje wakker werd, maande hij de anderen aan om snel te vertrekken. Klein Duimpje trok zijn zevenmijlslaarzen aan, waardoor hij snel kon lopen en in een mum van tijd thuis waren. Daar aangekomen kondigde Klein Duimpje aan dat hij zou gaan werken. Hij ging bij een bakker brood naar de mensen brengen. Omdat hij zevenmijlslaarzen droeg, kon hij snel stappen. 's Avonds kreeg hij van de bakker enkele broden om mee naar huis te nemen.
Bron
K. Bruynseels, Leuven, 1991
Commentaar
7. Sprookjes
antwerps (nijlen)
18
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Klein Duimpje   
Naam Locatie in Tekst
Nijlen   

