Hoofdtekst
En in St. Joris d’er was nog ene die den name had van toveresse. En ot (als) er een kind geboren wierd was ze gedwonden om daar naartoe te gaan. En ze deed ze kwaad aan en ze stierven. Op ne zekre keer, op ne nacht, d’er was een kind ziek van uit haar gebuurte. En d’er was iemand die wreed de tandpijn had en die d’er schuins over woondige. Zo hij was opgestaan en hij zag haar gaan ten tween van de nacht. En ze trok aan de deure, ze was vermaakt (gesloten). Ze ging al (langs) ’t hekken binnen en ze trok aan de deure maar ze kost ook nie binnen. En ’s andrendaags nuchtings (morgen) stierf da kind.
Onderwerp
SINSAG 0580 - Andere Hexenkünste   
Beschrijving
In Sint-Joris woonde een toveres die als het ware gedwongen was om bij ieder pasgeboren kind op bezoek te gaan. Daarna stierven die kindjes allemaal. Op een nacht was in het dorp een kind ziek. De overbuur van de toveres was 's nachts opgestaan omdat hij tandpijn had. De man zag hoe de toveres om twee uur 's nachts haar huis verliet en naar het huis van het ziek kindje trok. De deur was daar echter gesloten. De volgende ochtend is dat zieke kind gestorven.
Bron
O. Mattheeuws, Leuven, s.d.
Commentaar
2.1 Heksen
west-vlaams (grens oost- en zeeuws-vlaanderen)
268
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Knesselare   
Plaats van Handelen
Sint-Joris   
