Hoofdtekst
Moordaanslag op de sekkere
Vroeger moest de gemeentesekretaris elk jaar de pacht van de gemeentelijke hoeven gaan ontvangen. Ook die van Oelegem. Gewoonlijk kon hij dat in een dag klaarspelen. Vandaag had hij veel oponthoud gehad. Het werd snel donker. Hij moest dus maar in een van de volgende hoeven om slapens vragen.
De hoeve lag verlaten en donker, zelfs de hond blafte niet. Hij klopte, klopte nog es, legde zijn oor tegen de deur en hoorde binnen heel zacht praten, stoelen verschuiven en eindelijk iemand de deur openen. Een lamp scheen in zijn ogen.
"Goe volk! Ik ben de sekretaris."
"Och, sekretaris, zijde gij het?" vroeg een tranerige vrouwenstem. "Kom mor binne!"
Hij stapte in de grote woonkamer. Er zat nogal wat volk rond de tafel. Drie man kwamen uit de opkamer. De jeneverkruik en enkele borrelglaasjes stonden op tafel. De sekretaris voelde onmiddellijk: hier was iets aan de hand. Hij had die mensen in hun werk onderbroken, maar hij was te moe om er verder op door te denken. Ja, hij had nog graag een boterham gehad en wat gedronken. Zwijgend at hij zijn avondeten, beloerd door de anderen. Hij mocht in de opkamer slapen. Veiligheidshalve nam hij zijn grote geldzak met zich mee en legde hem onder het kopkussen. Hij sliep heel slecht en droomde van loerende ogen en rovers! Ergens in de morgen, het was al licht en de hanen kraaiden, hoorde hij beneden gestommel. Gewoonlijk stonden de boeren voor dag en dauw op. Het gestommel werd een gesleep van voeten, in de richting van de trap. De rovers! Hij tastte onder zijn hoofdkussen: het geld lag er nog! Hij moest zich maar slapend houden en als ze naar zijn geld grepen, zo snel mogelijk uit bed springen en in vilegende vaart naar buiten vluchten!
De stappen kwamen de korte trap op. De deur van de opkamer kriepte open. Doorheen zijn halfgeopende wimpers zag hij ... een mes... een hand...de boerin in het kamertje komen.
Oeioei! Zijn laatste uur had geslagen. Hij spande al zijn spieren, klaar voor de vlucht... Het mes naderde het voeteinde van het bed, stopte aan de muur. De vrouw kreunde. Hij hoorde een gezaag... sloffende voeten... iemand boog zich half over hem... mompelde wat... opende de kast naast het bed... mompelde nog wat en ... ging toen naar buiten...
De sekretaris was klaar wakker. Hij moest hier zo rap mogelijk vandaan. De vrouw was zeker versterking gaan halen! In een ik en een gij was hij aangekleed. Hij gleed de trap af naar beneden.
"Morgen, sekkere! Goe geslape?"
De vrouw stond bij de open haard over het vuur gebogen. Spek kistte in een pan.
"As ge efkes wacht, kunde reskes iet ete.Wemme nog veul werrek vandoag, ziede."
Hij wist echt niet wat te beginnen, schoof een stoel bij de tafel, hield daarbij de buitendeur in't oog. De vrouw sneed brood, zette ook koffie, plaatste dan een zwartberookte pan op tafel. Van buiten kwamen de pachter en zijn twee zonen. Hij kende hen wel.
"Morrege en smoakelak," bromden die.
Hij pakte een snee brood, sloeg een kruis en wilde beginnen.
"Lot ons iest nog ne voaderons en ne weesgegroet bidde ver de Fons die gistere verongelukt is!"
De pachter bad voor. De anderen antwoordden. De sekretaris begreep er niks meer van. Hij hapte in zijn brood met spek, slurpte van zijn koffie.
"Pachter, wat is er met de Fons gebeurd?"
"Wel, sekkere, da's rap verteld. We waren aan't hooi aantassen in 't schuur. De Fons ee zen eigen mistrapt en is van zes meter bonk op zijne kop gevalle. Hij was op slag doed. We wouwen er de gerre bijhalen, mer omdat het al zo laat was, emmen w'em op d'oepkamer gelee. Toen kwaamde gij eraan. We wisten echt nie wat doen met die doeje in huis. W'emmen em raprap in de kleerkast neffens't bed gestopt en't bed ver aa kleir gemokt!"
De sekretaris verslikte zich van opluchting. Hij zag het voor zijn ogen gebeuren. Bijna barstte hij in een lach.
"En wa kwaamde gij mee een mes in die kamer doen, pachtes?" vroeg hij om iets te zeggen." Och, em ik a wakker gemokt, sekkere? Ik hem een stuk van d'esp afgesneje die dor boven hing. Ver ne sekkere kunde toch gien gewoen spek geve."
"Ge et goei esp, mens," belegde de sekkere zijn tweede boterham.
(De verteller was afkomstig uit Oelegem en het verhaal stamt uit 1935. Verzameld door Jos en Mia van de Poel, Antwerpen-Broechem. Per brief toegezonden op 9 oktober 2000)
Vroeger moest de gemeentesekretaris elk jaar de pacht van de gemeentelijke hoeven gaan ontvangen. Ook die van Oelegem. Gewoonlijk kon hij dat in een dag klaarspelen. Vandaag had hij veel oponthoud gehad. Het werd snel donker. Hij moest dus maar in een van de volgende hoeven om slapens vragen.
De hoeve lag verlaten en donker, zelfs de hond blafte niet. Hij klopte, klopte nog es, legde zijn oor tegen de deur en hoorde binnen heel zacht praten, stoelen verschuiven en eindelijk iemand de deur openen. Een lamp scheen in zijn ogen.
"Goe volk! Ik ben de sekretaris."
"Och, sekretaris, zijde gij het?" vroeg een tranerige vrouwenstem. "Kom mor binne!"
Hij stapte in de grote woonkamer. Er zat nogal wat volk rond de tafel. Drie man kwamen uit de opkamer. De jeneverkruik en enkele borrelglaasjes stonden op tafel. De sekretaris voelde onmiddellijk: hier was iets aan de hand. Hij had die mensen in hun werk onderbroken, maar hij was te moe om er verder op door te denken. Ja, hij had nog graag een boterham gehad en wat gedronken. Zwijgend at hij zijn avondeten, beloerd door de anderen. Hij mocht in de opkamer slapen. Veiligheidshalve nam hij zijn grote geldzak met zich mee en legde hem onder het kopkussen. Hij sliep heel slecht en droomde van loerende ogen en rovers! Ergens in de morgen, het was al licht en de hanen kraaiden, hoorde hij beneden gestommel. Gewoonlijk stonden de boeren voor dag en dauw op. Het gestommel werd een gesleep van voeten, in de richting van de trap. De rovers! Hij tastte onder zijn hoofdkussen: het geld lag er nog! Hij moest zich maar slapend houden en als ze naar zijn geld grepen, zo snel mogelijk uit bed springen en in vilegende vaart naar buiten vluchten!
De stappen kwamen de korte trap op. De deur van de opkamer kriepte open. Doorheen zijn halfgeopende wimpers zag hij ... een mes... een hand...de boerin in het kamertje komen.
Oeioei! Zijn laatste uur had geslagen. Hij spande al zijn spieren, klaar voor de vlucht... Het mes naderde het voeteinde van het bed, stopte aan de muur. De vrouw kreunde. Hij hoorde een gezaag... sloffende voeten... iemand boog zich half over hem... mompelde wat... opende de kast naast het bed... mompelde nog wat en ... ging toen naar buiten...
De sekretaris was klaar wakker. Hij moest hier zo rap mogelijk vandaan. De vrouw was zeker versterking gaan halen! In een ik en een gij was hij aangekleed. Hij gleed de trap af naar beneden.
"Morgen, sekkere! Goe geslape?"
De vrouw stond bij de open haard over het vuur gebogen. Spek kistte in een pan.
"As ge efkes wacht, kunde reskes iet ete.Wemme nog veul werrek vandoag, ziede."
Hij wist echt niet wat te beginnen, schoof een stoel bij de tafel, hield daarbij de buitendeur in't oog. De vrouw sneed brood, zette ook koffie, plaatste dan een zwartberookte pan op tafel. Van buiten kwamen de pachter en zijn twee zonen. Hij kende hen wel.
"Morrege en smoakelak," bromden die.
Hij pakte een snee brood, sloeg een kruis en wilde beginnen.
"Lot ons iest nog ne voaderons en ne weesgegroet bidde ver de Fons die gistere verongelukt is!"
De pachter bad voor. De anderen antwoordden. De sekretaris begreep er niks meer van. Hij hapte in zijn brood met spek, slurpte van zijn koffie.
"Pachter, wat is er met de Fons gebeurd?"
"Wel, sekkere, da's rap verteld. We waren aan't hooi aantassen in 't schuur. De Fons ee zen eigen mistrapt en is van zes meter bonk op zijne kop gevalle. Hij was op slag doed. We wouwen er de gerre bijhalen, mer omdat het al zo laat was, emmen w'em op d'oepkamer gelee. Toen kwaamde gij eraan. We wisten echt nie wat doen met die doeje in huis. W'emmen em raprap in de kleerkast neffens't bed gestopt en't bed ver aa kleir gemokt!"
De sekretaris verslikte zich van opluchting. Hij zag het voor zijn ogen gebeuren. Bijna barstte hij in een lach.
"En wa kwaamde gij mee een mes in die kamer doen, pachtes?" vroeg hij om iets te zeggen." Och, em ik a wakker gemokt, sekkere? Ik hem een stuk van d'esp afgesneje die dor boven hing. Ver ne sekkere kunde toch gien gewoen spek geve."
"Ge et goei esp, mens," belegde de sekkere zijn tweede boterham.
(De verteller was afkomstig uit Oelegem en het verhaal stamt uit 1935. Verzameld door Jos en Mia van de Poel, Antwerpen-Broechem. Per brief toegezonden op 9 oktober 2000)
Beschrijving
De gemeentesecretaris gaat de jaarlijkse pacht ophalen. Hij eindigt laat bij een hoeve waarvan hij denkt dat de bewoners rovers zijn. Hij slaapt met het geld onder zijn kussen. 's Ochtends komt de vrouw binnen met een mes, maar zij snijdt slechts iets in de kamer. Aan het ontbijt blijkt wat er is gebeurd. Bij het hooi op de zolder brengen is een werknemer gevallen en gestorven. Zijn lijk lag in de kamer en is toen maar in de kast gestopt. De vrouw kwam met een mes goed spek afsnijden voor de secretaris.
Bron
Per brief toegezonden op 9-10-2000 door Jos en Mia van de Poel uit Edegem in België
Commentaar
9 oktober 2000 (het verhaal dateert uit 1935)
Naam Overig in Tekst
Fons   
Naam Locatie in Tekst
Oelegem   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:22
