Hoofdtekst
Ok ik kleene was ging ekik ne keer ’s noavends achter brood. En ‘k moste langs verschillende stretjes met hoagen. En ok langs een hoage kwam kwamen der olmetnekeer van achter dee hage drie in ’t witte gekleed en dat zei ssst… en gienk over de weg en ’t wos weg. En ’t wos voorzeker geen haar ip mijn hoofd die niet rechte stond van benauwdheid.
Beschrijving
Een jongen die 's avonds brood ging halen, zag een witte verschijning van achter een haag verschijnen. De verschijning maakte bovendien een sissend geluid. De jongen was doodsbang. Even later was de spookverschijning spoorloos verdwenen.
Bron
H. Van Wassenhove, Leuven, 1967
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
west-vlaams (groot-roeselare)
51
Kindertijd van de informant
memoraat
Naam Locatie in Tekst
Lendelede   
